Toegankelijkheid

Verenigingen en groepen

Landbouwverenigingen



D.L.G. AFDELING GROLLOO-SCHOONLOO

In 1925 werden plannen gemaakt om de aankoop van kunstmeststoffen enz., wat tot die tijd verzorgd werd door de Zuivelfabriek, te doen overdragen aan een eventueel op te richten Landbouwvereniging.
Hiertoe werd in een vergadering, welke werd gehouden in december 1925, definitief besloten.
De landbouwvereniging hield regelmatig vergaderingen. Op deze vergaderingen moest dan ook de ontvangen kunstmest worden betaald. Vervolgens kon er weer nieuwe kunstmest worden besteld. Allerlei zaken betreffende de boerderij konden op zo'n vergadering worden besproken.
De vereniging werd "de Samenwerking" genoemd. Een mooie naam, verzonnen door wijlen J. Holt uit Schoonloo. 30 Jaar lang heeft de landbouwvereniging bestaan.
Door tijdsomstandigheden en het gebrek aan opslagruimte voor kunstmeststoffen meende men toch dat er een verandering moest komen. Er werden plannen gemaakt om met de aankoop van kunstmest e.d. weer over te gaan naar de Zuivelfabriek. Er werd besloten om bij de Zuivelfabriek een grote loods te bouwen. Dit betekende het einde van de landbouwvereniging. Op 3 mei 1954 werd besloten de landbouwvereniging te ontbinden. Alle aankopen werden overgedragen aan de Zuivelfabriek.

Daar alle leden van de landbouwvereniging tevens lid waren van het D. L.G. bleef het contact bewaard.
Op 24 februari 1955 hield de landbouwvereniging haar laatste vergadering, terwijl op 14 maart 1955 het D.L.G. afd. Grolloo-Schoonloo haar eerste vergadering hield. Het bestuur was van mening, dat er over de bestuursfuncties in 't geheel opnieuw moest worden gestemd.
Herkozen werden de heren L. Hagting, J. Abbing, G. Hadders en B. Westerhof. Voor dhr. J. Jansen welke zich wegens zijn hoge leeftijd niet herkiesbaar stelde, werd gekozen dhr. L. Lesschen. De vereniging startte met 125 leden. Nu, in 1983 telt de vereniging 82 leden. De gemiddelde bedrijfsgrootte bedraagt ±21 ha. Hoogtepunten zijn de jaarvergadering en excursies.

WERKTUIGENVERENIGING

Voordat op 18 mei 1931 de coöperatieve stoomdorsvereniging werd opgericht was er reeds iets dergelijks. Men was echter zelf niet in het bezit van een dorsgarnituur. Er was een commissie die zich belastte met het uitbesteden van het te dorsen koren aan een loondorser. Deze commissie zorgde ook, dat het dorsloon werd betaald en verrekend met de loondorser.
Er bleek echter steeds meer behoefte om in coöperatief verband te werken en op 18 mei 1931 werd besloten de coöperatieve stoomdorsvereniging op te richten. Er sloten zich 116 leden aan.

De eerste bestuursleden waren E. Meijers, M. Wolting, T. Lesschen, A. de Weme, J. Enting en voor Schoonloo, A. Smit en L. Beijering. Op de vergadering van 23 november van hetzelfde jaar werd de vereniging uitgebreid met boeren uit Amen, die hiertoe een verzoek hadden gedaan. Ook het bestuur werd toen uitgebreid met 2 personen en wel met de heren P. Hingstman en A. Boelens.
Voor het seizoen 1931/32 werd een dorsmachine aangekocht van de firma Pot en ten Borg in Groningen. Tot machinist werd benoemd dhr. W. Pepping te Gasselte, die alleen tijdens het dorsseizoen in dienst van de vereniging was. Er werd besloten om voor de machinist een dienstwoning te bouwen. De oorlogsjaren gaven de nodige problemen. Na de bezetting trad het gehele bestuur af en werd op de jaarvergadering van 25 juli 1945 een nieuw bestuur gekozen.
In 1959 werd dhr. H. Hadders benoemd, thans nog in dienst van de vereniging. De mechanisatie had zijn intrede in de landbouw gedaan en dhr. Hadders werd dan ook vast benoemd voor het gehele jaar. Daar de mechanisatie zich nog verder uit-breidde, werd op 1 maart 1962 een buitengewone ledenvergadering gehouden waarop werd besloten tot de aanschaf van een combine voor het koren oogsten. Ook steeds meer andere landbouwwerktuigen werden aangeschaft. In 1962 werd nog een tweede combine aangekocht. Meer machines, meer personeel. Als tweede machinist werd in vast dienst benoemd dhr. A.J. Hadders, terwijl in de combine-campagne losse arbeidskrachten werden aangetrokken. Reeds in het jaar 1965/66 werd de derde combine aangekocht. Ook werd besloten om de derde loods te bouwen. Het jaar 1965/66 was het laatste jaar, dat er met de gewone dorsgarnituur werd gedorst. In 1966 werd de derde loods in gebruik genomen. Al het koren werd nu met de maaidorser gemaaid. In totaal 449 ha. In de jaren 1960/65 kwam de ruilverkaveling tot stand. Mede door de schaalvergroting werden agrariërs genoodzaakt steeds verder te mechaniseren. Dit vraagt voor velen een te grote investering, mede omdat de machines maar voor een bepaalde tijd gebruikt worden en het grootste deel van het jaar stilstaan. In 1968 werd de naam van de vereniging veranderd van Coöperatieve Stoomdorsvereniging in Coöperatieve Werktuigenvereniging. Tegenwoordig besteden de boeren talrijke werkzaamheden uit aan deze Werktuigenvereniging. Dit is voor hen goedkoper dan zelf te investeren en arbeidskrachten in dienst te nemen. Zo vervult de Werktuigenvereniging een belangrijke functie in het dorp.

PAARDENFONDS

In de maand maart van het jaar 1895 hebben de boeren alhier besloten om hun paarden onderling te verzekeren. Er werd gestart met zo'n 35 leden met plm. 70 paarden. Later omstreeks 1905, traden ook enkelen uit Schoonloo toe als lid. Bij de oprichting werd het volgende bestuur gekozen:
A. Hofsteenge, voorzitter, H. Zijgers, penningmeester, R. Sijbring, secretaris, H. Beijering, Hk. Jansen, B. Jansen en A. Wolting. Van de eerste tijden zijn geen gegevens meer aanwezig.

Het eerste jaarverslag dateert van april 1927. Hierin wordt vermeld, dat het fonds 91 leden telt, welke gezamenlijk 116 paarden en veulens verzekerd hebben met naar de laatste schatting een waarde van f 29.730,--. Het ledental groeit gestaag, want in 1937 waren er 120 leden met 187 paarden met een totale waarde van f 40.950,--.
In het voorjaar van 1940 liepen de marktprijzen zodanig op dat de geschatte waarde met 20% werd verhoogd. Toen in 1940 de oorlog begon werd er in het najaar door de Duitsers een vordering van paarden gehouden. De prijzen liepen hierdoor geweldig op en het bestuur besloot de geschatte waarde met 50% te verhogen. Dit bleek echter nog niet voldoende te zijn, want begin maart 1941 werd besloten de waarde nogmaals met 50% te verhogen, zodat er bij overname het dubbele van het geschatte bedrag zou worden uitbetaald.


 landbouw-510219

Wat ben ik waard? Het schatten van paarden.

Met de voorjaarsschatting waren toen verzekerd 225 paarden van 132 leden voor een gezamenlijk bedrag van f 91.130,-- en met de najaarsschatting 235 paarden van 132 leden voor tesamen f 132.660,-- hetgeen wordt verdubbeld en komt op een bedrag van f 265.360,--.
In 1955 bestond de vereniging 60 jaar. Er waren toen 50 leden. In de jaren '60 kwam de ruilverkaveling tot stand. Vele bedrijven werden opgeheven, andere werden veel groter. Door deze schaalvergroting nam de mechanisatie sterk toe, waardoor het trekpaard zo goed als verdween. De paarden die nu nog worden gehouden zijn veel rijpaarden en pony's.

Op 1 november 1982 telt de vereniging nog 42 leden met tezamen 101 paarden voor een bedrag van f 215.850,--. In het voor- en najaar worden de paarden geschat. De eigenaar betaalt aan het fonds steeds 1 % van het geschatte bedrag, dus 2% per jaar. Moeten er veel paarden worden uitbetaald, dan wordt er tussentijds nog een ½ % opgehaald. De uitkering is 100%.

VEEFONDS

Toevoeging door redactie Old Grol

Provinciale Drentsche en Asser courant
26-01-1895

Te Grolloo is gisteravond besloten een Veefonds op te richten. Eene commissie van 5 leden, bestaande uit de b.h. J. Hagting, A. Huizing, E. P. Hoben, J. Sijbring en T. Boerema is benoemd om een reglement te ontwerpen.

 

 

Op 20 maart 1895 werd in Grolloo besloten een onderling veefonds op te richten. Als eerste bestuursleden staan vermeld L. Hagting, J.J. Sijbring, J.v. Belkum, Alb. Smit, A. Huizing, H. Wolting en E.T. Hoben.
Vanaf de oprichting tot 1904 is geen enkel schrift aanwezig, maar vanaf die datum is er regelmatig een jaarverslag gegeven door het toenmalige bestuur. Het vee werd geschat in 4 klassen. In 1904 waren verzekerd 134 stuks van f 100,--, 129 van f 75,--, 91 van f 50,-- en 54 van f 25,--, dus totaal 408 stuks. Bij de schatting in april en november moet een ½ % premie van de geschatte waarde betaald worden. In 1911 treden ook een paar boeren uit Schoonloo toe als lid. In 1913 wordt besloten een klasse van f 125,-- toe te voegen, zodat er nu 5 klassen zijn. In deze vergadering wordt ook besloten een veeverlosser aan te schaffen. In november 1918 (einde 1ste wereldoorlog) komt een voorstel van het bestuur om wegens de hoge veeprijzen het vee hoger in het fonds te nemen, wat tot resultaat had, dat er 6 klassen werden ingesteld en wel f 400,--, f 325,--, f 250,--, f 175,--, f 100,-- en f 40,--.
Het jaar 1921 verliep zeer ongunstig. Voor 30 dieren moest vergoeding worden uitbetaald als gevolg van mond- en klauwzeer en het bestuur zag zich genoodzaakt 4 x ½ procent op te halen. In 1926 moesten 40 dieren worden afgekeurd en uitbetaald en moest men 5 x ½ procent ophalen. De wrakke dieren werden verkocht aan de koudslachters Blomsrna, Venix, Bos, Toxopeus, Magnus of van Oosten. Dit gaf soms aanleiding tot grote moeilijkheden. Op genoemde vergadering werd dan ook de vraag gesteld of het niet beter was zich aan te sluiten bij de Bond van vee-fondsen. Besloten werd eerst meer inlichtingen in te winnen. In 1927 werd als nog besloten hiertoe over te gaan en men sloot zich aan bij de Bond van vecfondsen in Drente voor het afzetten van wrak vee. Ook werd nogmaals de wenselijkheid te kennen gegeven een pomp aan te schaffen om dieren die lijden aan melkopslag te behandelen, doch na overleg met dr. Staal en de veearts uit Borger wordt er toch van afgezien. Zij waren er fel tegen gekant. In 1929 kwam opnieuw de runderhorzelbestrijding ter sprake. Over de bestrijding met tabaksextrakt en kalk was men maar matig tevreden. Ook werd besloten om vee dat werd aangekocht te laten onderzoeken op T.B.C. en in 1941 werd door het bestuur voorgesteld alle vee op T.B.C. te laten onderzoeken. Bij stemming bleek dat 30 voor en 47 tegen waren, zodat dit niet doorging. Op 8 september 1945 (einde 2e Wereldoorlog) treedt het gehele bestuur af. Allen worden herkozen, behalve J. Beijering uit Schoonloo. In diens plaats wordt gekozen H. Huizing.
In 1946 worden de gelden geblokkeerd. Voordelig saldo f 2.265,80 waarvan f 1.700,-- geblokkeerd wordt. Er ontstaan veel moeilijkheden om de leden hun afgekeurde dieren te betalen. Hiervoor moest een geldlening worden aangevraagd. In 1947 wordt de veeverlosser verkocht voor f 25,--. Deze mag niet meer gebruikt worden bij het verlossen van vee. Het was een duur instrument geweest, was maar weinig gebruikt en voor het opbergen moest ieder jaar f 2,-- worden betaald.
In 1952 wordt inenten tegen mond- en klauwzeer verplicht gesteld in de eerste helft van april van elk jaar. Dat de boeren het wel nodig vonden om hun vee te laten verzekeren blijkt wel uit de volgende cijfers: in 1904 waren er 408 stuks verzekerd, in 1914 - 631 stuks in 1924 - 781 stuks, in 1934 - 1259 stuks, in 1944 - 802 stuks en in 1954 - 1727 stuks.
In 1904 werd uitbetaald voor afgekeurd en gestorven vee f 625,-.
In 1954 ging het om een bedrag van f 34.850,--. In 1983 heeft het veefonds 45 leden, die gezamenlijk 2064 stuks vee hebben: verzekerd voor een bedrag van f 3.696.200,--, volgens de novemberschatting van 1981. Gemiddeld verzekerd bedrag per dier is f 1. 790,--. In 1982 kon men volstaan met 2 ¼ % premie.
In een buitengewone ledenvergadering, welke gehouden werd op 29 oktober 1979, kwam een wijziging in de bepalingen voor het uitbetalen van afgekeurd en gestorven vee. Deze worden thans als volgt uitbetaald:
een maand voor de kalfdatum 110% , een maand na het kalven 100% en daarna zal er iedere maand f 100,-- afgaan tot een maximum van f 400,--. Hier is men over het algemeen wel tevreden mee. Ondanks het feit dat het veefonds voor veel boeren een vanzelfsprekend iets is, zijn er thans ook boeren, die geen lid meer zijn van dit fonds. Vooral de boeren met de grote aantallen vee zoals 100 à 150 stuks. Zij moeten erg veel premie betalen, waarvoor ze dan liever het risico nemen zelf de schade van één of meer dode dieren te moeten bekostigen. Voor veel boeren blijft het veefonds echter een belangrijke, nauwelijks te missen, instelling.