Toegankelijkheid

 

Het vierde lokaal

 

De Openbare Lagere School kreeg bij een besluit van de gemeenteraad van Rolde in 1929 een vierde lokaal. Het aantal leerlingen was dusdanig dat een extra lokaal nodig was. In de jaren dat de schrijver van dit artikele zelf naar school ging stond het vierde lokaal bekend als zijnde het lokaal waar handenarbeid werd gegeven. De jongens gingen bijvoorbeeld figuurzagen, terwijl de meisjes mochten borduren. Het vierde lokaal werd ook gebruikt voor andere zaken. Andere verenigingen mochten wel gebruikmaken van deze ruimte. In het verslag van de raadsvergadering, welke hieronder is te lezen, ziet men dat de kerk ten behoeve van catechisatie een beroep doet het lokaal (of een ander) te kunnen gebruiken. In 1965 werd echter ook het dorpshuis Het Markehuis gebouwd, waardoor verenigingen een geschiktere ruimte kregen.

Het vierde lokaal werd in zuidelijke richting aangebouwd. Dit had tot gevolg dat de weg die achter de school langs liep (van wat nu Schoolstraat heet, tot de Hoofdstraat) moet komen te vervallen. Deze oude weg liep tot die tijd rechtdoor, kruiste dus de Hoofdstraat en liep verder de es op, langs de kerk en het kerkhof, richting het Oosterpad.

 

kaart Grolloo 1900kaart Grolloo 1900

 

De wegen waren in die tijd zandwegen. De zandweg die achter de school langs liep, van wat nu een deel Zuiderstraat, Schoolstraat en het pad langs de kerk is, lag voor een deel erg laag. De weg in het dorp had de naam Achterstreek. In de volksmond werd echter gesproken over Achtergat vanwege de lage ligging en vaak modderig was. In het raadsverslag valt te lezen dat de heer Mensing vraagt om een droog paadje naar de school voor zijn kinderen. De familie Mensing woonde op het huidige adres Schoolstraat 2. 

 

Onderstaand het hele verslag van de raadsvergadering uit november 1928. Schrijver is zich bewust dat niet alle onderwerpen relevant zijn voor Old Grol, maar het is wel een tijdsbeeld. Het geeft aan hoe verslaglegging destijds door de kranten werd opgenomen. Het geeft aan hoe er over bepaalde zaken gesproken werd. Uit dit verslag haal je toch ook de aandacht die er voor het dorp Grolloo werd gevraagd. Dit is in de tekst gemerkt.


Uit de Provinciale Drentsche en Asser courant van 3 december 1928


Raadsvergadering der gemeente Rolde op Maandag 26 November 1928, des voormiddags te 10 uur in het gemeentehuis.

Voorzitter de burgemeester, de heer S. Reynders.
Secretaris de heer J. Hofkamp.
Aanwezig alle leden.

De notulen der vorige vergadering worden goedgekeurd.

De heer TOMAS zou graag zien, dat de notulen in den vervolge meer nauwkeurig de bedoeling van het gesprokene weergaven. Het officieel verslag kan naar sprekers meening niet geheel volledig zijn, maar z.i. was het verslag der vorige vergadering niet volledig. Spr. wil echter geen voorstel doen, in de notulen wijziging aan te brengen.
De VOORZITTER merkte naar aanleiding van de notulen op, dat de heer Tomas in de vorige vergadering gezegd heeft, dat de verbetering van den weg Rolde—Borger ongeveer f2000 méér heeft gekost dan aanvankelijk was begroot, doordat de weg verwaarloosd was. Dit is niet Juist. De weg heeft wel-is-waar ongeveer f 2000 meer gekost, maar dit was niet een gevolg van verwaarloozing, maar omdat er duurder en meer grondstof noodig bleek dan aanvankelijk aangenomen werd.
De heer TOMAS merkt op, dat hij de gegevens van den gemeente-architect had bekomen.
De VOORZITTER antwoordt, dat de heer Tomas den architect dan niet heeft begrepen.
De cijfers zijn inderdaad juist — aanvankelijk zou de weg f3500 kosten, en dit is later plm. f 5500 geworden — maar dat lag niet aan verwaarloozing van den weg.

1. Ingekomen is een schrijven van Ged. Staten, waarbij vrijstelling wordt verleend van de verplichting tot het geven van onderwijs in de lichamelijke oefening.

De VOORZITTER geeft te kennen, dat Gedeputeerden wel-is-waar vrijstelling hebben verleend voor het komende jaar, maar dat deze cevens te kennen geven, dat gymnastiekonderwijs toch eigenlijk noodzakelijk is. Het volgend jaar zouden Ged. Staten, naar de meening van den voorzitter, wel eens geen goedkeuring kunnen geven.

2. Voorstel van B. en W. tot het aangaan van een geldleening groot f 134.650 voor conversie van bestaande leeningen en schoolbouw te Grolloo.

B. en W. deelen mede, dat de Bank voor Nederlandsche Gemeenten genegen is met de gemeente eene vaste leening aan te gaan, groot f134650, rentende naar 4¾ pct. per jaar, tegen een koers van 100 pct., op eenvoudige schuldbekentenis.
Dit aanbod opent de mogelijkheid tot het converteeren van eenige loopende leeningen met een rentetype van 5 pct. en 6¾ pct., tot een gezamenlijk bedrag van f 126050. Uit den bij het prae-advies van B. en W. behoorenden staat blijkt, welk voordeel conversie biedt. Naast financieel voordeel staat administratieve vereenvoudiging, omdat een achttal leeningen in één kunnen worden ondergebracht.
B. en W. wenschen van deze gelegenheid gebruik te maken, om de tijdelijke kasgeldleening aan te gaan voor den bouw van een lokaal aan de openbare lagere school te Grolloo, om te zetten in een definitieve leening. De kosten van den onderwerpelijken bouw hebben f 8600 bedragen, zoodat zij voorstellen met de Bank voor Nederlandsche Gemeenten eene leening aan te gaan groot f 134650 en in verband daarmede te besluiten tot buitengewone aflossing op 2 Januari 1929 van de bedragen der leeningen, in het dictum van het ontwerpbesluit, onder a tot en met h bedoeld. Een gevolg daarvan zal zijn, dat de gewone aflossing van eenige aandeelen eenige maanden wordt vervroegd, welke vervroeging B. en W. uit administratief oogpunt gewenscht achten. Door deze vervroegde aflossing toch kunnen alle aandeelen der betrokken leeningen op denzelfden dag worden ingeleverd. Een uitzondering zouden zij ten opzichte daarvan willen maken ten aanzien van aandeel no. 6 der leening van f 10200.—, welk aandeel reeds Is uitgeloot om 15 Januari 1929 te worden afgelost.
De leening van f 32000.— wordt slechts gedeeltelijk afgelost, omdat de aandeelen nummers 57 tot en met 64 zijn uitgegeven tegen 4½ pct. rente. Aandeel no. 59 is reeds in 1923 uitgeloot en met de uitloting van de aandeelen 57, 58, 60 tot en met 64 kan gedurende de jaren 1929 tot en met 1935 geregeld worden doorgegaan.
Hoewel de Bank ten aanzien hiervan, geen voorwaarden heeft gesteld, meenen B. en W. dat het aanbeveling verdient, dat aan de aan te gane leening geen langeren looptijd dan 20 jaar wordt gegeven: B. en W. stellen daarom voor gedurende de jaren 1930 tot en met 1948 jaarlijks f 6800.— en in 1949 de rest of f 5450 af te lossen.
De bevoegdheid om in eenig jaar meer af te lossen is evenwel voorbehouden, met dien verstande evenwel, dat tot en met 1934 — ingevolge voorwaarde van de Bank — geen versterkte aflossing is toegestaan. De Bank wenscht voorts uitbetaling der leening op 2 Januari 1929 en heeft verder de voorwaarde gesteld, dat zij vóór of op 10 December a.s. in het bezit moet zijn van het goedgekeurde raadsbesluit. Indien aan deze voorwaarden niet voldaan wordt, herneemt zij de vrijheid om over het aangeboden kapitaal ten behoeve van andere gemeenten te beschikken. Van de zijde van B. en W. bestaan tegen inwilliging van deze voorwaarden geen bezwaren en het College hoopt, dat ook Gedeputeerde Staten hunne goedkeuring tijdig zullen willen verleenen.

B. en W. stellen derhalve voor :

    1. buitengewoon af te lossen op 2 Jan. 1929:
        1. het nog resteerende deel ad f6000 der leening ad f 7000, zijnde de aandeelen nos. 1 tot en met 11, 13, 15, 16, 18 tot en met 22 en 24 tot en met 28, met dien verstande, dat één aandeel ad f 250.— uit de gewone middelen van den dienst 1929 zal worden afgelost; het nummer van dit aandeel zal door Burgemeester en Wethouders kunnen worden aangewezen; zullende de op 1 Juni 1929 voor verzilvering in aanmerking komende coupons van deze leening op 2 Januari 1929 betaalbaar zijn met f7.32 per coupon ;
        2. een bedrag van f 24000 der leening ad f 32000, zijnde de aandeelen 1 tot en met 6, 8, 9, 10, 12, 13, 14, 16 tot en met 22, 24 tot en met 42, 44 tot en met 49, 51, 52, 54, 55 ; zullende de op 1 September 1929 voor verzilvering in aanmerking komende coupons van deze aandeelen op - Januari 1929 betaalbaar zijn met f 8.34 per coupon:
        3. een bedrag van f 14.000,— der leening ad f 118100, zijnde de aandeelen 3 tot en met 6, 8 tot en met 13, 15 tot en met 25, 26, 27, 29, 30, 31, 34, 35 en 36, met dien verstande dat een aandeel ad f 500 uit de gewone middelen van den dienst 1929 zal worden afgelost; het nummer van dat aandeel zal door Burgemeester en Wethouders worden aangewezen; zullende de op 1 Juni 1929 voor verzilvering in aanmerking komende coupons van deze aandeelen op 2 Januari 1929 betaalbaar zijn met f 14,64 per coupon;
        4. een bedrag van f 7500.— der leening ad f 12000, met dien verstande, dat een bedrag ad tot en met 13, 15 tot en met 24, 26, 27, 29, 30, van den dienst 1929 zal worden afgelost; zullende op 2 Januari 1929 van het af te lossen bedrag ad f 7500.— een som van f 434.38 aan rente worden betaald, over het tijdvak van 15 Februari 1928 tot en met 2 Januari 1929;
        5. een bedrag van f 3650.— der leening ad f 5150.—, met dien verstande dat uit de gewone middelen van den dienst 1929 zal worden betaald een bedrag van f 250 ; zullende op 2 Januari 1929 van het af te lossen bedrag ad f3650 aan rente worden betaald een som van f 113,61. over het tijdvak vanaf 15 Juli 1928 tot en met 2 Januari 1929;
        6. f. een bedrag van f 250 der leening ad f 650, met dien verstande, dat uit de gewone middelen van den dienst 1929 een som van f 100 zal worden betaald ; zullende op 2 Januari 1929 van het af te lossen bedrag ad f 250 aan rente worden betaald f 10.81, over het tijdvak 20 Februari 1928 tot en met 2 Januari 1929 ;
        7. een bedrag van f 75000 der leening ad f 87500.—, met dien verstande, dat uit de gewone middelen van den dienst 1929 een som van f 4000 zal worden betaald ; zullende alzoo worden afgelost de aandeelennummers 1 tot en met 9, 11, 12, 14, 15, 16, 18, 19, 20, 22 tot en met 40, 42 tot en met 51, 53, 54, 55, 57, 58, 59, 62 tot en met 68, 71 tot en met 84, 86 tot en met 94, 96, 98, 99, 100, 102, 103, 104, 106, 107, 109 tot en met 115, terwijl de nummers der aandeelen, die uit de gewone middelen zullen worden afgelost, zullen worden aangewezen door Burgemeester en Wethouders;
        8. een bedrag van f 1500,— der leening ad f 10200,—, zijnde de aandeelen nummers 5, 9, 10 12, 14 en 15 ; zullende de coupons dezer aandeelen, welke op 15 Januari 1929 voor verzilvering in aanmerking komen, op 2 Januari 1929 betaalbaar worden gesteld met f 12,02;
    2. te bepalen, dat van den datum van aflossing, in dit besluit genoemd op de losbare bedragen geene rente meer wordt tegoed gemaakt;
    3. voor conversie van de onder 1e, sub a tot en met h genoemde leeningen en voor den aanbouw van een lokaal aan de o.l. school te Grolloo, met de Bank voor Nederlandsche Gemeenten op onderhandsche schuldbekentenis aan te gaan eene geldleening groot eenhonderd vier en dertig duizend zes honderd vijftig gulden naar den koers van 100 pct. en eene rente berekend naar vier drievierde procent per jaar, zulks onder de navolgende voorwaarden:
          1. dat van het geleende bedrag gedurende de jaren 1930 tot en met 1948 op 2 Januari van ieder jaar minstens zesduizend achthonderd gulden zal worden afgelost en op 2 Januari 1949 een bedrag van vijf duizend vierhonderd vijftig gulden;
          2. dat tot en met het jaar 1934 algeheele of versterkte aflossing der leening is uitgesloten, doch dat na genoemd jaar de Raad bevoegd is in eenig jaar aflossing van een grooter dan het onder 1e. genoemd bedrag, of van de geheele leening te bevelen;
          3. dat de rente zal worden betaald in halfjaarlijksche termijnen en wel op 2 Januari en 1 Juli van eenig jaar, voor het eerst op 1 Juli 1929;
          4. dat voor betaling van de rente en de aflossing voor de in dit besluit bedoelde leening in de begrooting van uitgaven de noodige posten zullen worden uitgetrokken, zoolang dat noodig is.

Aldus wordt z. h. st. besloten.

3.  Wijziging begrooting 1928 en 1929

B. en W. stellen voor de begrooting over 1928 en 1929 te wijzigen overeenkomstig de ontwerp-besluiten, gevoegd bij de prae-adviezen. Z. h. st. wordt aldus besloten.

4. Schoolgeldkohier.

Voorstel van B. en W. tot vaststelling van het schoolgeldkohier voor voortgezet en inhalingsonderwijs voor den cursus 1928/1929.
Het voorstel wordt, nadat de secretaris voorlezing heeft gedaan van het kohier, z. h. stemming aangenomen.

5. Exploitatie Laagspanningsnetten.

De Raad van Commissarissen van de Maatschappij tot aanleg en exploitatie van laagspanningsnetten heeft het verzoek tot den Raad gericht, de maandelijksche vergoeding voor administratiekosten en toezicht per aansluiting te brengen van 25 cent op 30 cent. Dit voorstel vindt zijn oorzaak in het feit dat over 1927 op de exploitatie der netten een verlies is geleden van f l4998,31½. De Raad van Commissarissen deelde mede, dat dit verlies grooter zou zijn geweest, als de bezoldiging van het personeel op het peil was geweest dat naar zijn meening moet worden aangenomen.
Het verlies der exploitatie werd tot dusver gedekt uit de uitvoering van werken voor derden, hetgeen echter meebrengt, dat enkele gemeenten betalen hetgeen een last moest zijn voor allen.
B. en W. stellen voor goedgunstig op het voorstel van den Raad van Commissarissen te beschikken, alzoo de maandelijksche vergoeding voor administratie en toezicht brengende van 25 cent op 30 cent per aansluiting.
De heer TOMAS heeft zich, toen hij het voorstel zag, afgevraagd: waar moet dat naar toe voor de inwoners ? Oogenschijnlijk is het niet veel, maar het is naar sprekers meening wèl van beteekenis. In aanmerking genomen de duurte van den stroom, heeft spr. zich afgevraagd : is dit niet te ondervangen ? Spr. vraagt, of de verhooging niet kan komen ten laste van de gemeente en niet van de inwoners.
De VOORZITTER antwoordt, dat B. en W. zich in verbinding zouden kunnen stellen met de Maatschappij tot aanleg en exploitatie van Laagspanningsnetten. Het verzoek zou tot de volgende vergadering aangehouden kunnen worden.
Aldus wordt z. h. st. besloten.

6. Financiëele steun van het Rijk.

Van H. van Belkum en anderen is een verzoek ingekomen om financieelen steun van de regeering te vragen. B. en W. hebben dit verzoek onder de oogen gezien. Er werd op gewezen, dat een gemeente, wil zij aanspraak maken op financieele hulp van de Regeering, haar begrooting niet sluitende moet kunnen maken. Dit nu is in deze gemeente niet het geval; de begrootingen zijn nog steeds sluitende kunnen worden gemaakt, ook die voor 1929, zij het dan ook met behulp van een zwaar drukkende inkomstenbelasting. Ontkend werd, dat de gemeente-eigendommen zich in zoo'n slechten toestand bevinden als adressanten willen laten doen voorkomen. Wel waren inderdaad de wegen gedurende den afgeloopen zomer in minder goede conditie, maar reeds thans is die toestand aanmerkelijk verbeterd. En als de onderhoudswerken, waarmede reeds een begin gemaakt is, zullen zijn afgeloopen, dan zal geconstateerd moeten worden, dat de wegen in zulk een staat verkeeren, dat deze een vergelijking met die in andere gemeenten wel kunnen doorstaan.
Dat de gemeentegebouwen in slechten staat verkeeren ontkent het college ten eenenmale. Ten opzichte van de waterlossingen heeft de gemeente geen andere bemoeienissen dan het toezicht op het onderhoud daarvan door de onderhoudsplichtigen. De gemeente heeft een strenge uitoefening van de schouw in hare hand, zonder dat daarbij de gemeentefinanciën in het geding komen.
Uit het vorenstaande mag evenwel niet worden geconstateerd, dat een royaal gebaar van de zijde der regeering der gemeente niet gelegen zouden komen. Integendeel, indien de Regeering een flink bedrag ter beschikking van de gemeente zou willen stellen, dan zou inderdaad daaraan wel eene bestemming kunnen worden gegeven. Men moet zich evenwel niet voorstellen, dat de Regeering daartoe zonder meer zal overgaan. Met grond mag toch worden aangenomen dat van de zijde van de Regeering wel degelijk voorwaarden zouden worden gesteld, voorwaarden die de Raad ongetwijfeld zeer ongaarne zou willen aanvaarden. Het is toch een feit, dat op de begrooting tal van uitgaven voorkomen, die daarop wel zouden kunnen worden gemist en op zulke posten zou dan natuurlijk allereerst de aandacht worden gevestigd. Er zou bovendien zonder eenig bezwaar een belasting op vermakelijkheden en een wegenbelasting kunnen worden geheven.
Naast de eischen van bezuiniging en invoering van nieuwe belastingen zal de Regeering ongetwijfeld voor het verleenen van steun groote medezeggenschap in het bestuur der gemeente vragen en hiervoor zal, naar B. en W. meenen te mogen aannemen, de Raad ook niet veel gevoelen.
Wanneer de nieuwe wet op de finantieele verhouding niet in het vooruitzicht was, zouden de wethouders zich wel voor het vragen van steun kunnen verklaren, maar nu meenen ook zij dat niet tot het vragen van Rijkssteun moet worden besloten, weshalve ze voorstellen afwijzend op het verzoek te beschikken.
De heer TOMAS vindt het niet prettig, altijd de eerste te moeten zijn, die het woord voert, maar : in den Raad komt men toch om te beraadslagen ; daarvan is hier geen sprake. Wat in deze gemeente gebeurd, is eigenlijk niet veel anders dan het doorloopen van de agenda. Alleen spreker zegt soms iets, maar hij zou zoo graag willen, dat ook de andere Raadsleden over de agenda-punten opmerkingen maakten, die in het belang van de gemeente zijn.
De VOORZITTER : Dat is dus een opmerking tegen uw collega's.
De heer TOMAS : Juist. Wanneer ik meen, dat er iets gezegd moet worden, dan doe ik dat.
Aangaande het verzoek van van Belkum e.a. in kwestie merkt de heer Tomas op, dat hij en verschillende andere Raadsleden een bespreking gevoerd hebben met adressanten. Op deze vergadering heeft hij den indruk gekregen dat de leidende factor tot het verzoek is geweest: de hooge belastingen. Dat de belastingen hoog zijn, dat de maximale grenzen bereikt zijn, aldus de heer Tomas, daarover zijn allen het eens. De belastingen, ze houden uitbreiding van de gemeente tegen. Er zullen zich niet, dan bij groote noodzakelijkheid, vreemdelingen in de gemeente komen vestigen, en degenen die er wonen, zullen zich, als het hun eenigszins mogelijk is, elders gaan vestigen, waar het voordeeliger wonen is.
Nu doemt zich, vervolgt de heer Tomas, aan den horizon meer licht op. Binnen enkele jaren hopen we door het nieuwe wetsontwerp, regelende de finantieele verhouding tusschen Rijk en Gemeenten, uit de put te komen, maar : dat duurt nog een heele tijd!
De minister heeft gezegd, dat sommige gemeenten te royaal leven — dat kan — aldus spreker, niet van Rolde gezegd worden! Vervolgens wijst spr. er op, dat er altijd veel moeite gedaan is, om de begrooting sluitende te krijgen. Dat is wel mooi.... maar op den duur speelt dat toch parten ! Wanneer we, aldus spr., op de begrooting niet méér zetten, dan we tot nu toe gedaan'hebben, dan zal het deel van het fonds, dat we aan den Minister kunnen vragen, slechts gering zijn.
Bij de vorengenoemde besprekingen is de wenschelijkheid naar voren gekomen, de verschillende noodzakelijke verbetering in de gemeente (wegen !) zoo mogelijk tot stand te krijgen.
Spr. is het roerend met B. en W. eens, wat betreft de afschuw voor saneering; het ontneemt de zelfstandigheid aan den Raad.
Dan kan net zoo goed het college van B. en W„ of eigenlijk zelfs de secretaris alléén wel, de verschillende zaken afhandelen! De Raad behoeft dan niet meer te beraadslagen, hetgeen de voorzitter gemakkelijk vindt. Voor u misschien wel, repliceert de heer Tomas, maar voor de gemeente en de bevolking niet.
Voorts stelt de heer Tomas de vraag, op welke wijze Ged. Staten te weten zijn- gekomen dat de gemeente Rolde tot de noodlijdende gemeenten van Drenthe behoort. Ged. Staten toch hebben de gemeente Rolde o.m. opgegeven als noodlijdende gemeente.
In de memorie van toelichting van de Staatscommissie komt de naam van de gemeente voor. Dan zou spr. nog willen weten onder welke voorwaarde de gemeente een gedeelte van het bedrag van voornoemd fonds zou kunnen krijgen. Spr. is het niet met B. en W. eens dat de toestand van de wegen in de gemeente goed is.
Men kan verschillende opvattingen hebben van een goeden of slechten weg. De algemeene toestand van de wegen is naar sprekers meening lang niet zooals 't behoort. In verband met dit adres zou spreker willen voorstellen aan den minister te vragen, of de gemeente Rolde niet een renteloos voorschot kan krijgen, omdat binnen drie jaar een tegemoetkoming aan de verschillende eischen een besliste noodzakelijkheid is.
Spreker is het met het adres eens : er moet iets gedaan worden. Er moet tot uiting komen, dat de gemeente zich niet kan redden, vandaar sprekers voorstel.
De heer KEUN gaat grootendeels met den heer Tomas accoord.
De wegen zijn lang niet, zóoals ze wezen moeten! Spr. juicht het voorstelt toe.
De VOORZITTER: Dus een hap uit de schatkist ? !
De heer KEUN : Nee, maar om te kennen te geven, dat we ons niet redden kunnen.
De VOORZITTER: Dat zullen ze wel weten ! !
De heer KEUN: Als ze er maar rekening mee houden
De VOORZITTER geeft te kennen, dat als de gemeente om een voorschot zou vragen, de gemeenterekenitig zou worden opgevraagd. Er komt op de begrooting tot een bedrag van pl.m. ƒ 3000 voor Van posten, die niet strikt noodzakelijk zijn. Die zullen dus moeten vallen. Daarenboven:, vóórdat een dergelijk voorstel tot uitvoering komt kan de nieuwe wet reeds in werking getreden zijn. Spr. is het met den heer Tomas eens : zooals het wetsontwerp thans is, worden de gemeenten, die zuinig te werk zijn gegaan, de dupe. De gemeente heeft zuinig geleefd, maar spr. gelooft niet, dat het voorstel ongewijzigd zal worden aangenomen.
De heer KEUN geeft te kennen, dat ook hij bang is, dat de zuinige gemeenten de dupe zullen worden.
De VOORZITTER: Dat zullen we moeten afwachten, daar kunnen wij niet over beslisen. Spr. vertrouwt, dat hierin zal worden voorzien, daar in bijkans alle vergaderingen over het geheele land hierop gewezen wordt.
Het woord is nu aan de vertegenwoordigers in Den Haag Op een vergadering, die onlangs gehouden is, is gezegd geworden: de gemeenten zitten nu al zoo lang in de put, dat kan nu nog wel een paar jaar zoo blijven, daar anders het wetsontwerp wel eens in gevaar gebracht zou kunnen worden. Al zou de gemeente pogingen in het werk te stellen, spr. gelooft niet, dat vóór 1931 hiervan iets zal komen.
Saneering — daarmede is spr. liet met den heer Tomas eens — daar is spr. ook niet voor.
De heer TOMAS merkt op, dat hij niet meegaat met het voorstel van Belkum e. a. Hij heeft een ander voorstel gedaan, n.1. om het vragen van een renteloos voorschot. Spr. doet dat niet, om dan dat geld maar uit te geven, maar om de dingen, die verbetering behoeven, zooals de wegen en de brandweer, uit te voeren.
Wanneer de Minister eischen mocht stellen, kan de Raad nog altijd beslissen of die eischen al dan niet ingewilligd kunnen worden. De Raad moet natuurlijk niet zijn autonomie prijs geven. Wanneer we, aldus spr., te kennen geven, dat we er financieel slecht voor staan, kunnen we later altijd een beroep doen op de Kamerleden : we hebben dan den Minister met de toestanden op de hoogte gebracht.
Over de kwestie of de zuinige gemeenten de dupe zullen worden, ja of nee,, is spreker nog zoo gerust niet. Hij acht het noodig, dat er te kennen wordt gegeven aan alle hoogere besturen hoe de toestand der gemeente is. Er zijn al zooveel adressen geweest om adhaesie, die over liet vraagstuk in kwestie handelen, dat geeft allemaal niks.
De heer NIJBOER vraagt, of het niet mogelijk is een renteloos voorschot aan te vragen, alleen maar om te kennen geven, dat het noodig is, maar het dan niet te aanvaarden, als te zware eischen worden gesteld.
De VOORZITTER vindt dit wel wat eigenaardig.
De heer TOMAS acht dit heel wel mogelijk. Zooiets gebeurt bij leeningen ook wel. Wanneer de voorwaarden, die de Minister stellen zal, niet door den Raad worden aangenomen, is dat iets heel gewoons.
De VOORZITTER brengt naar voren, dat er zoo'n tijd verloopt, zoodat voor een dergelijk renteloos voorschot eventueel ten bate van de gemeente zal komen, dat dan de nieuwe wetswijziging allang van kracht is.
De heer KEUN is bang, dat, als men het voorstel niet aanneemt, als de Minister er in zou toestemmen, dat er dan gezegd zou kunnen worden, nou dan ben je nog niet zoo heel erg arm I
De VOORZITTER : De toestand van de gemeente i s zoo heel slecht niet. Natuurlijk kunnen de wegen in de gemeente niet worden vergeleken met de Provinciale wegen, want de Provincie, die slechts een weggedeelte in cr.derhoud heeft, kan dit natuurlijk veel beter in orde hebben dan de gemeente, maar in verhouding met de wegén in andere gemeenten zijn de wegen in Rolde heusch zoo slecht nog niet, al kunne n ze natuurlijk wel beter !
De heer TOMAS dringt aan op beantwoording van een tweetal door hem gestelde vragen, n.1. hoe het komt, dat Ged. Staten de gemeente Rolde als noodlijdend hebben aangemerkt en: onder welke voorwaarden de gemeente aanspraak zou kunnen maken op gelden uit meergenoemd Fonds.'
De VOORZITTER antwoordt op de eerste vraag, dat het hem bekend is. Op de tweede vraag antwoordt de voorzitter, dat hij de voorwaarden niet kent. Het voorstel van B. en W. wordt hierna met algemeene stemmen aangenomen. Hierna komt in behandeling het voorstel Tomas.
De heer Tomas stelt voor, aan Ged. Staten en aan den Minister van Binnenlandsche Zaken kenbaar te maken dat verschillende noodzakelijke uitgaven niet in de beIgrcoting voorkomen in verband met liet ontbreken van middelen, en toe te lichten, welke die noodzakelijke uitgaven zijn en hoe groote bedragen daarvoor noodig zijn. Spreker stelt voor een renteloos voorschol voor die noodzakelijke uitgaven van de Regeering te vragen.
De VOORZITTER vraagt, hoe de heer Tomas zich liet aflossen van liet voorschot denkt.
De heer TOMAS heeft hierover wel nagedacht. Hij meent dat als de nieuwe wet aangenomen zal zijn, een en ander wel gevonden zal kunnen worden.
De VOORZITTER : door aanneming van het wetsvoorstel wordt de toestand voor de gemeente niet beter, wèl voor de ingezetenen.
De heer TOMAS is van meening dat het voorstel nog wel gewijzigd zal worden. Overigens kan spr. pas over deze kwestie beslissen, wanneer de voorwaarden van den Minister bekend zijn. Het voorstel van den heer Tomas wordt hierep z. h. stemming aangenomen.

7. Drinkwatervoorziening.

Van de waterleiding-commissie „OostDrenthe" is een verzoek ingekomen, om deel te nemen in do voorioopige kosten.
De VOORZITTER geeft te kennen dat op een vergadering de waterleidingkwestie ter sprake is geweest. Er is toen gezegd, dat de drinkwatervoorziening in Drenthe over het algemeen slecht is.
Spreker was voor dien tijd van meenina dat de drinkwatervoorziening in Rolde nog zoo slecht niet was, maar hij heeft voor de deskundigen op dit gebied het hoofd moeten buigen. Het water is niet goed voor drinkwater, en ook niet vcor de zuivelindustrie. Een waterleiding zou ook met het oog op bluschwater zeer aan te bevelen zijn.
B. en W. stellen voor, goedgunstig op het verzoek te beschikken en een subsidie tot een bedrag van ½ cent per inwoner beschikbaar te stellen.
De heer TOMAS heeft met belangstelling de toelichting van den voorzitter aangehoord. Men is in de gemeente vrijwel algemeen van oordeel dat het drinkwater goed is. Dat is echter niet het geval. Microscopisch kleine bacteriëen bevinden zich in het water en bedreigen de gezondheid, dreigen in ons lichaam groote verwoestingen aan te richten.
Spr. acht het noodzakelijk dat er waterleiding komt.
De heer SMIT vraagt of het de bedoeling is dat alle ingezetenen uit de gemeente zullen profiteeren van de waterleiding, ook de inwoners van Grollo?
De VOORZITTER antwoordt, dat er nog geen definitieve plannen zijn. Waarschijnlijk zal men in Grolloo wel profiteeren van de nieuw aan te leggen waterleiding, maar daarmee hebben we nu nog niet te maken. Als allen van het nut van een waterleiding overtuigd zijn dan zal alles wel in orde komen.
Er zijn natuurlijk eenige kosten aan verbonden, al zullen die uit de aard der zaak niet zoo heel groot zijn, daartegenover staat dat de gezondheid dan niet meer zoozeer bedreigd wordt.
De heer SMIT vraagt of aanneming van het voorstel tot iets bindt.
De VOORZITTER antwoordt ontkennend.
De heer KEUN stelt zich de aanleg van de waterleiding voor op de zelfde manier als de electrificatie: eerst de grootere dorpen en dan komen de anderen vanzelf.
Het voorstel wordt hierna z. h. stemming aangenomen.

8. Particulier gebruik schoollokaal Grolloo.

Van den Kerkeraad der N. H. K. van Grolloo is een verzoek ingekomen of gedurende enkele avonden per week in de school catechisatie-onderwijs mocht worden gegeven daar de kerk, die tot nu .toe voor dit doel werd gebruikt ten eenenmale ongeschikt is. Het hoofd dier school heeft hier geen bezwaar tegen.
De VOORZITTER deelt mede, dat Ds Winsemius bij spr. is geweest; en hem liet verzoek nader uiteen gezet heeft. Over het algemeen is de voorz. er niet voor de school voor verschillende doeleinden beschikbaar te stellen, doch in dit. geval meent spr. dat er tegen inwilliging geen bezwaar is. De lokalen zijn toch nog verwarmd.
B. en W. stellen voor, aan den kerkeraad der Ned. Herv. Gemeente to Grolloo tot wederopzegging toe vergunning te verleenen tot het gebruik van een verwarmd en verlicht lokaal van de openbare lagere school te Grolloo, voor het houden van catechisaties, onder voorwaarde:

le. dat het lokaal onmiddellijk na het gebruik voor rekening van den Kerkeraad moet worden schoongemaakt.;
2e. dat alle beschadigingen aan gebouw en aan meubelen voor rekening van den Kerkeraad moeten worden hersteld;
3e. dat het schoolgebouw niet door rook en of spuwen mag worden verontreinigd;
4e. dat het lokaal wordt aangewezen door het hoofd der school en dat omtrent de dagen en uren waarop het kan worden gebruikt, overleg moet worden gepleegd met het Hoofd der school.

De heer KEUN is van oordeel dat tegen inwilliging van het verzoek geen bezwaar bestaat.
Het voorstel van B. en W. wordt hierop z. h. st. aangenomen.

9. Verhuur huis met land te Grolloo.

Van R. Oeben te Grolloo is bet verzoek ingekomen, aan hem opnieuw voor den tijd van één jaar het huis met tand te Grolloo, thans bij hem in gebruik, wederom te willen verhuren.
B. en W. stellen voor op dit verzoek goed gunstig te beschikken, onder voorwaarde:

le. dat deze huur zal ingaan op den 1sten Mei 1929 en eindigen op 1 Mei 1930, telkens des middags twaalf uur;
2e. dat de huurprijs zal bedragen een som van éénhonderd vijf en twintig gulden, waarvan de helft of twee en zestig gulden en vijftig cents zal worden betaald den 1sten November 1929 en de andere helft den 1sten Mei 1930;
3e. dat overigens van toepassing zijn de betrokken artikelen van den zevenden titel, tweede afdeeling van boek 3 van bet Burgerlijk Wetboek.

De VOORZITTER vraagt zich af, of verkoop van bedeeld perceel voor de gemeente niet voordeeliger zou zijn, daar wegens de annuiteit ingevolge de Landarbeiderswet de gemeente op de woning moet bijleggen. Overigens kan spr. zich wel met het voorstel vereenigen.
Het voorstel wordt hierna z. h. stemming aangenomen.

10. Ontheffing ingevolge de Motor- en Rijwielwet.

Van de firma K. en J. Wilkens te Veendam is een verzoek ingekomen om, indien mogelijk, ontheffing van, het ingevolge de motor- en rijwiel wet bestaande verbod, op de wegen in Rolde te mogen rijden met motorrijtuigen, waarvan de lading meer dan twee meter achter het voertuig uitsteekt.
B. en W. stellen voor hun College te machtigen, opdat in eventueele soortgelijke gevallen een beslissing te kunnen nemen.
De heer TOMAS is van oordeel, dat hier toch wel een maximum dient te worden gesteld, anders zien we op een gegeven moment ........
De VOORZITTER: ........ een trein door de gemeente loopen.
De heer TOMAS : Ja. Daar wordt toch wel rekening mee gehouden ?
De VOORZITTER : B. en W. zuilen daar rekening mee houden !
Het voorstel wordt z.h.st. aangenomen.

Op een adresje van Mensing, om medewerking voor het aanleggen van een voetpaadje, om zijn kinderen droogvoets naar school te kunnen laten gaan, wordt goedgunstig beschikt.

De heer TOMAS gelooft, dat niet bij verordening bepaald is, hoever de korenmijten van de woningen verwijderd moeten zijn. Spr. zou in overweging willen geven, in verband met brandgevaar een desbetreffende verordening in het leven te roepen.

De VOORZITTER geeft te kennen, dat er een dusdanige verordening bestaat, die voorschrijft, dat de mijten niet dichter dan 10 M. van de woningen mogen worden geplaatst.
De heer TOMAS vindt deze afstand te klein.
De VOORZITTER geeft te kenen, dat deze kwestie de belangstelling heeft van B. en W.
Er worden stappen gedaan om te komen tot vaststelling van een nieuwe politieverordening. Dan zal deze kwestie nader onder de oogen worden gezien.

De heer KEUN vraagt inlichtingen omtrent het niet branden van de straatlantaarns te Eleveld op tijdstippen, dat die elders in de gemeente wel branden, terwijl hij voorts gaarne wordt ingelicht omtrent het gedeelte van den weg van Eleveld naar Geelbroek, dat nog moet worden hersteld.

De VOORZITTER antwoordt, dat Rossing moet zorgen voor de straatlantaarns en zal de kwestie aangaande den weg bespreken met den gemeente-architect.

De heer TOMAS vraagt, naar aanleiding van eenige ingezonden stukken in de „Tel." of het juist is, dat de P. T. T. zich beroept op een advies van den burgemeester, dat de tweede postbestelling niet noodig is voor de gemeente.

Als dit juist is, zou spreker, daar hij tot de conclusie is gekomen, dat de Voorzitter thans wèl voor een tweede postbestelling is, in overweging willen geven, dat de Voorzitter aan P. T. T. kenbaar maakte, dat zijn indertijd gegeven advies niet juist is. Wanneer de menschen thans 's middags hun post willen hebben, moeten ze ten eereste de post zelf halen en bovendien ƒ 2 per jaar betalen.
De VOORZITTER geeft te kennen, dat er een misverstand in het spel is. Door P. T. T. is indertijd gevraagd, of de gemeente belang had bij een tweede postbestelling. Qua burgemeester heeft de Voorzitter toen ontkennend geantwoord, maar qua de heer S. Reinders staat hij er heel anders tegenover.
De heer TOMAS verheugt zich, dat het zoo in elkaar zit. Het is daarom wel goed, dat dit in het openbaar is behandeld, daar men in de gemeente de houding van den burgemeester afgekeurd had. Spr. verzocht publicatie van het bovenstaande.

De heer NIJBOER merkt, naar aanleiding van het gesprokene aangaande de korenmijten op, dat het gevaar met het oog op brand, dat hieraan verbonden is, niet zoo groot is.

Spr. heeft wel gezien, dat van korenmijten, die naast elkaar stonden, tusschenstaande mijten opbrandden, terwijl de andere behouden bleven. Alleen wanneer de mijten nog versch zijn, is er eenig gevaar van verbranden.

De heer SMIT vraagt of er al een commissie voor het vaststellen van het vastrecht te Grolloo is benoemd.

De VOORZITTER antwoordt ontkennend. B. en W. weten nog niet, of er, gezien de opgedane ervaringen, wel een commissie moet worden benoemd.
De VOORZITTER gelooft, dat het beter is, dat B. en W. zelf het vastrecht vaststellen. B. en W. zullen een en ander zoo goed mogelijk regelen.

De heer TOMAS vraagt of de door hem in vorige vergadering gedane motie reeds is behandeld.

De VOORZITTER geeft te kennen, dat er hierover nog niet vergaderd is.

De heer TOMAS vraagt of er reeds een commissie is benoemd als genoemd in een in de vorige vergadering door hem gedaan voorstel, dat door den Raad is aangenomen, betreffende het onderzoeken van de mogelijkheid en rentabiliteit van tuinbouw in de gemeente Rolde.

De VOORZITTER deelt mede, dat een dusdanige commissie reeds is benoemd. De gekozenen zullen zoo spoedig mogelijk van hun benoeming in kennis worden gesteld.

Hierna sluiting.