Laatst bijgewerkt: donderdag 02 september 2021
 (Aan het eind van dit artikel zijn preken geplaatste van de schrijver van dit boekwerk, Ds. Ruytenberg. De preken zijn destijds geschreven voor en geplaatst in de Provinciale Drentsche en Asserr Courant.)
 
 

VIJFTIG HUIZEN en ...

...EEN KERK

(Gedigitaliseerd in december 2009 door L. Reinders)

Bron: VIJFTIG HUIZEN en ....EEN KERK

 

een korte geschiedbeschouwing bij de herdenking van het

 

HONDERDJARIG BESTAAN

 

1853 - 1953

 

van de Ned. Herv. Kerk en Gemeente van GROLLO EN SCHOONLO

 

door E. VAN RUYTENBERG

 

Em. Ned. Herv. Pred.

 


AAN DE NAGEDACHTENIS VAN MIJN LIEVE VROUW, mijn trouwe Medewerkster,die op zo hoge, zorgzame, zegenrijke wijze haar levenstaak als Dominees-Vrouw heeft vervuld en in Grollo heeft beeindigd, worden deze bladzijden gewijd.


 

 


 

Verantwoording

Waarde Lezers,

 

Het lijkt mij gewenst U een korte verantwoording te geven van de motieven, die er mij toe geleid hebben dit geschriftje in beperkte kring te publiceren.

 

Ik heb bij het schrijven er van eigenlijk aldoor mijn eigen Gemeenteleden voor ogen gehad, tot wie ik mij richtte. Zij toch zijn het voornamelijk, voor wie de herdenking van het Honderdjarig bestaan van onze kerk en gemeente waarde heeft, en die het op prijs zullen stellen het een en ander in historische volgorde te vernemen, van het ontstaan en de ontwikkeling onzer gemeente in die honderd jaar. In het algemeen weet men van deze dingen heel weinig en kan men zich ook niet goed voorstellen tegen welke achtergrond en in welke historische omgeving dit stukje honderd jaar kerkelijke geschiedenis moet worden beschouwd. Het is daarom, dat ik gemeend heb bij mijn beschrijving niet in 1853 te moeten beginnen, maar, voorzover mij dat mogelijk was, uit het véél oudere Grollo en Schoonlo het belangrijkste naar voren te brengen. Ook algemeen bekende dingen hebben daarom hier toch In plaats gekregen. De historie-vorser, de "Kenner" van de oude Drentse geschiedenis zal hier geen nieuws van enige betekenis vinden. Het is ook niet voor hèm geschreven. (Wetenschappelijke pretenties heeft dit geschriftje niet). Mocht hij,dit boekje in handen krijgend,toch nog iets van zijn gading vinden, des te beter. Het feit, dat dit boekje niet in de handel kwam, is naast practische redenen, door de bovenbedoelde opzet verklaard. Dat ik bij mijn onderzoekingen veel te danken heb gehad aan de medewerking, de informaties, de adviezen van vele bekenden en onbekenden ligt voor de hand. Behalve aan verschillende van mijn gemeenteleden, voorzover het de laatste 50 jaar betreft, ben ik aan diverse deskundige Drentse geschiedkundigen veel dank verschuldigd. In het "Naschrift" aan het eind van mijn boekje vindt U de namen van hen. Volledigheidshalve zijn als "Bijlagen" toegevoegd een volledige lijst van alle predikanten en hulppredikers, die in Grollo-Schoonlo gestaan hebben, en van de verschillende consulenten, die in de vacatures de gemeente hebben bediend. Voor wie de bronnen zou willen naslaan, waaruit door mij werd geput, is tenslotte een "Literatuur"-lijst bijgevoegd van de voornaamste door mij geraadpleegde werken.

 

Zijn er aanvullingen of correcties gewenst, afwijkende opvattingen of conclusies, ik houd mij aanbevolen ze te mogen vernemen.

 

Moge deze bescheiden poging om een stukje van de Kerkgeschiedenis van Drente wat ruimer bekend te maken een welwillend gehoor ontvangen.

 

E.v.Ruytenberg.

 

Grollo, October 1953.

 


 

Inleiding

Dit boekje wil U iets vertellen over een wonderlijk gebeuren. Het speelt in Drente van honderd jaar geleden.

 

Er waren eens drie gelovige energieke mannen, zo begint dit sprookjesachtig verhaal, dat werkelijkheid was - die kans hebben gezien om van een tweetal kleine gehuchten, die samen amper vijftig huizen teldende gemeente Grollo-Schoonlo te maken. Hoe is dit mogelijk geweest? vraagt een mens van deze dagen zich af. Vijftig gezinnen, die een kerk en een pastorie bouwen, en het traktement van de dominee garanderen ! Er zijn meer oude gehuchten geweest, niet kleiner dan Grollo, maar zij hebben er niet over gedacht zich los te maken van de oude kerk in het hoofddorp.
Denk aan Elp, Wijster, Weerdinge, Exloo, Loon. Ik noem er maar enkele. (Wel moet met ere genoemd het destijds kleine Eext, dat in 1841 zijn eigen kerk kreeg ). Dit boekje vertelt U iets van de moeilijkheden, die overwonnen moesten worden, van de gemeenschapszin van die vijftig gezinnen, en hoe zich dat alles heeft ontwikkeld in de loop van honderd jaar, hoe het gegroeid is tot wat wij nu noemen: de Hervormde Gemeente van Grollo-Schoonlo, Vredeheim en Papenvoort.
Waarom ik dit boekje voor U schreef, gemeenteleden en belangstellenden in onze dorpen? Ik dacht, dat U zich in deze herdenkingsdagen wel graag eens wilde verdiepen in het verleden, In stukje geschiedenis van de oude dorpen Grollo en Schoonlo U voor de geest wilde roepen. Dit alles is toch zeker in hoofdzaak interessant voor hen, die hier langer of korter tijd, misschien zelfs van geslacht op geslacht hebben gewoond en gewerkt. Bovenal wil dit geschrift zijn: een beroep op de gemeente van heden, een appèl aan hen, die de geestelijke erfenis van de voorgeslachten hebben ontvangen, en die zich in deze dagen misschien wel eens de vraag zullen stel>len: "Wat hebben wij gedaan met hetgeen eens voor onze voorouders zo'n kostbaar, moeizaam verworven, bezit was? Wat hebben wij er van gemaakt?" Een vergelijking van die eerste jaren der Grolloër Kerk met de tijd van heden dringt zich als vanzelf op, en die vergelijking valt, meen ik, niet in ons voordeel uit. Waarom niet en hoe dat zo is gekomen, is niet in enkele woorden te verklaren. In de volgende bladzijden wordt U er zo het een en ander over verteld. Zeker is, dat de verhouding van kerk en dorpsgemeenschap wel grondig is gewijzigd in de loop van die laatste honderd jaar, en niet alleen in Grollo.
Wat wij nog bezitten is: een Kerkgebouw, een clublokaal met al wat daarin des Zondags en in de week plaats heeft, en een eigen predikantsplaats. Met het oog op de tijdgeest en de huidige organisatie van de Ned. Herv. Kerk, is er reden voor de vraag: Tot hoelang zal dit duren? Zullen wij onze zelfstandige gemeente kunnen handhaven? Daarop zullen wij en het geslacht, dat nu opgroeit, toch wel degelijk een antwoord moeten geven.

 

Wij vieren een honderd-jarige kerkelijke herdenking. Maar die heeft alleen zin en waarde, als ze tot diepere bezinning leidt. Want wie dit stukje kerkgeschiedenis, geschiedenis van een kerk en een gemeente, tot zich wil laten spreken, zal toch ook deze gedachte bij zich voelen bovenkomen: Welk een zegen kan er en zal er in die honderd jaren voor tallozen zijn uitgegaan van deze kerk en hare dienaren, haar medewerkers en leden. Hoe talloos velen zijn er van uit deze kerk en pastorie bereikt, getroost, bemoedigd, verblijd.
Hoe is deze kerk in haar contact met de mensen voor velen een onmisbaar goed geweest ! Hoe zullen de dominees en hun gezinnen in deze nu honderdjarige pastorie hun uren van blijdschap, van voldoening, van teleurstelling en van leed hebben gekend, en hoe zal menig gemeentelid, na een bemoedigend, vertroostend en sterkend gesprek in de pastorie, zich verkwikt hebben gevoeld! Dáárvan wordt in dit boekje natuurlijk met geen woord gerept. Dat zijn de onzichtbare dingen, die God alleen weet. Zij zijn voor ons de stille, maar onmisbare achtergrond van dit sober verhaal.

 

Zo kan dit "herdenken" worden tot een "danken".

 

"Ik zal met vreugd in't Huis des Heren gaan, Om daar met lof Uw grote naam te danken."

 

Dat zongen onze voorouders, toen zij voor honderd jaar, met blijdschap hun nieuwe kerk betraden.
Wij zongen het op onze Herdenkingsdag ook weer. En daarna………?


 

In 1400

Aan de grote heirbaan, die dwars door Drente van Coevorden over Zweelo en Rolde naar Groningen liep, lagen twee kleine oeroude nederzettingen, aan de rand van het eenzame Ellertsveld: Grollo en Schoonlo.
Hun oorsprong verliest zich, zoals bij zovele oude gehuchten in Drente, in een ver, niet meer te benaderen verleden. Misschien waren zij, zoals van meerdere esdorpen zeker schijnt te zijn, wel al uit vóórchristelijke tijd afkomstig.
Wie zal nog kunnen uitmaken, van waar die eerste bewoners zijn gekomen, die zich in een open plek in het groene en schone bos (Grollo - Schoonlo) voor het eerst hebben nedergezet!
In een oud Drents Charter, uit het jaar 1441, is in ieder geval sprake van de " Marcke van Grollo ende de buerschap van Scoenlo ", en in charters van enige tientallen jaren later wordt "De Mark van Grollo ende Scoenlo onder de clocken v. Rolde" genoemd. (Zie charters van 1466,1469,1496). (De tegenwoordige buurtschappen Vredeheim en Papenvoort zijn van véél latere tijd, waarop wij verderop zullen terugkomen).
In deze laatst genoemde Charters horen wij voor het eerst iets van de band van de beide gehuchten met "de clocken van Rolde", dat betekent dus een onderdeel van het Kerspel Rolde, een band, die eerst in 1853 zou worden verbroken.
Drenthe omvatte oudtijds een veel groter gebied dan thans: de stad Groningen was zo omstreeks 't jaar 1100 nog een Drents dorp. Ook het land van Vollenhove en Weststellingwerf tot aan de Kuinder behoorden er toe. De drie hoekpunten vormden: Groningen, Steenwijk en Coevorden en binnen deze driehoek worden nu de eerste Drentse kerken gebouwd.


 

De Kerk in Drente

In het jaar 770 wordt Drente een heidens en voor christen predikers gevaarlijk land genoemd. Dat hebben Liudger en Willehad, de eerste zendelingen, hier in Drente zeker moeten ondervinden. In 1139 is er voor het eerst sprake van "Kerken" in Drente, maar de dorpen, die een eigen kerk hadden, waren te tellen. Het waren de hoofdplaatsen van de oude Kerspels, die een kerk hadden. De meeste dorpen hadden er geen. Deze kerken heetten ook wel de "Seend"-kerken (Seend = Synode), waar de Bisschop van Utrecht zijn kerkelijke rechtspraak kwam uitoefenen. Het waren de kerken van Anlo, Vries, Rolde en Diever. Later splitsten zich van deze 4 parochies steeds meerdere af, en is er sprake van de kerken van Beilen, Norg, Roden, Roderwolde, Eelde.
De Stichting van de Kerken in Drente ging meestal uit van de eigenerfde boeren in een bepaald dorp, die behoefte hadden aan een eigen kerk, waar de Sacramenten konden worden bediend. Gewoonlijk had hun dorp dan reeds een kapelletje, doch voor de Sacramenten moesten zij de lange afstanden langs de slechte zandwegen naar de verre parochie-kerken afleggen, wat hun uiteraard steeds aanzette tot het streven naar een eigen kerk voor het eigen dorpje, schrijft Mr. J. Linthorst Homan, in zijn "Geschiedenis van Drenthe", en bij deze woorden worden wij onwillekeurig herinnerd aan hetgeen mutatis mutandis, omstreeks het jaar 1850 in ons eigen dorp plaats had.


 

Het "Groller-holt"

Allereerst willen wij nu eens even stilstaan bij een van de alleroudste natuurmonumenten in Drente, vol historische herinneringen, dat oude bos dat eens getuige is geweest van allerlei belangrijke samenkomsten van mensen uit de hele provincie, dat zich veel verder uitstrekte in de richting Schoonlo en natuurlijk van veel wijdere omvang dan nu, het bos, dat aan Grollo zijn bekendheid gaf, eeuwen vóórdat hier van een kerkelijke gemeente sprake was.
Deze mooie plek van eiken stamhout is namelijk eeuwenlang de zetel geweest van de Landdagen, of Lottingen, maar diende ook nog wel tot samenkomsten van andere aard. Zo kwamen in het jaar 1521 de ingezetenen van Coevorden hier samen, noodgedwongen trouwens. De stad was veroverd door de Gelderse hertog, Johan van Selbach. En hoewel men niets van hem hebben moest, maakten zijn stropende benden, die het hele landschap plunderden, het zo erg, dat zij hem op een samenkomst in 't Groller-holt als hun heer hebben gehuldigd. Maar belangrijker voor de ontwikkeling van het Drentse volksleven; waren de reeds genoemde Lottingen, tweemaal in het jaar gehouden, meestentijds Dinsdags na Pasen en na Pinksteren gehouden, ook nog op St. Magnusdag, 19 Augustus. Nu was de plaats, waar de Landdagen werden gehouden niet voor altijd vastgesteld, maar verschilde naar omstandigheden. Ook in Rolde, Anlo, Beilen, Zweelo en Coevorden werd wel eens de Landdag gehouden, zelfs 29 Oct. 1600 in Groningen. Vermoedelijk zal de wisseling dezer plaatsen van Samenkomst wel verband houden met de vijandelijke strooptochten, waarvan de "Olde Lantschap" veel te lijden had. Des avonds vóór de Lottingsdag werd door klokgelui de landsvrede afgekondigd. Voorzitter van de Lotting was altijd de Drost, naast hem zaten de Landsschrijver en de Etten, tezamen vormende de Drentse Etstoel (eens "de Wijsheid van den Lande" betiteld), maar verder moesten alle daartoe bevoegde inwoners verschijnen. Deze bevoegden waren de "eigenerfden" d.w.z. die een eigen erve bewoonden en bebouwden, minstens ter grootte van 32 Mudden bouwland, behalve de nodige hooi- en weidelanden.
In het begin van de vorige eeuw waren de oude zitplaatsen der deelnemers in het Groller-holt nog zichtbaar: het waren gruppen, van langwerpige vorm, het maaiveld was de zitting en de uitgeworpen aarde leverde een ruggesteun op. Die zitplaatsen waren uiteraard niet vele in getal, maar alleen bestemd voor hen, die na gehouden "cluftingen" namens de marken of cluften de stemmen uitbrachten, waaruit uiteindelijk de stemmen der zes dingspelen, (Noordenveld,Oostermoer, Zuidenveld, Dieverder-, Beiler- en Rolderdingspel) werden_opgemaakt. De grote menigte zal zich intussen in de nabijheid, zittende, liggende of staande hebben opgehouden. Want al moesten deze samenkomsten in de voormiddag, "bij klimmende zon" worden aangevangen, de verstwonenden kwamen eerst 's avonds laat weer thuis. Het was dan op deze historische plek, dat, voor Drente in zijn geheel soms zeer belangrijke be- ? sluiten werden genomen. Zo werd hier op de 1ste Maart 1580 het besluit genomen de Unie van Utrecht te ondertekenen, waarbij Drente zich aansloot bij de andere gewesten, die zich losmaakten van de Spaanse overheid. Hier werd op 17 November 1600 het College van Drost en Gedeputeerden voorlopig gekozen. Deze Gedeputeerden zouden bestaan uit twee vertegenwoordigers van de Eigenerfden en twee van de Ridderschap, welk college in Assen zou samenkomen, terwijl de Landdagen zelf nog tot in 1696 in het Groller-holt bleven vergaderen. De Friese Stadhouder Willem Lodewijk, die in 1596 was beëdigd als "Gouverneur-Generaal van de lande Drenthe", kwam hier vaak heen om zijn werkzaamheden voor Drente te regelen. Want voor Drost en Gedeputeerden was in 1601, het jaar nà hun bovengenoemde verkiezing, een instructie opgesteld, waarin bepaald was, dat zij geregeld met de Stadhouder moesten corresponderen. Na de beroemde zitting van 17 November 1600 wordt hier nog elf maal een Landdag gehouden. Op 7 Augustus 1602 wordt in 't Groller-holt besloten tot verplaatsing van de zetel der Landdagen naar Assen, en wel uit practische overwegingen, het was bij slecht weer natuurlijk hier geen bijzonder geschikt terrein. Maar Grollo lag wel erg centraal, dat was bij de toestand der slechte verkeerswegen wel weer een voordeel. Er wordt op de Landdag althans een bedrag van duizend Caroli-guldens vastgesteld tot verbetering van de wegen, die naar Assen leiden. Toch komt van deze verandering niet veel terecht. Op 29 November 1602 is men hier weer samen, een bekend geworden Landdag waarop de Eigenerfden de eed van trouw afleggen aan de Generaliteit en de Protestantse religie.
Op 31 Mei 1603 heeft de Stadhouder hier een Landdag uitgeschreven om verzoening te bereiken tussen de twee twistende partijen: College van Gedeputeerden en Eigenerfden.
Op 3 Juni 1632 werd vergaderd om een Stadhouder voor Drente te kiezen in de plaats van de overleden Friese Stadhouder Ernst Casimir. Hendrik Jan van Nassau wordt gekozen.
16 Mei 1653 is men hier weer bijeen om maatregelen te nemen in de financiële geschillen tussen Landschap en Generaliteit.
De bevolking werd, zo besloot de Landdag van 29 Mei 1672, een extra belasting opgelegd, ter voorziening in de behoefte van Landschapsgelden. In 1685 komt men samen om een Drost te kiezen uit een voordracht, waarop twee Sallandse edellieden voorkomen: Baron van Palland en Baron van Ittersum.
Telkens weer blijkt 't Groller-holt de geliefde plaats van Samenkomst, totdat op 29 April 1696 deze plek voorgoed wordt verlaten. Op deze laatste samenkomst wordt, belangrijk besluit, bepaald, dat het Stadhouderschap van Drente erfelijk zal zijn voor de nakomelingen van Prins Willem 111.
Vele vergaderingen. Het is of wij ons in onze eigen tijd van vergaderwoede verplaatst zien. Nu was er voor deze Landdagen in de regel stof genoeg om te vergaderen. Want de Drentse boeren stonden (staan ?) er voor bekend, dat zij graag mochten pleiten. Een aardig gedichtje herinnert aan die oude "Lottingen" :

"In holt van Grollo kwamen weleer van elke kant
de Ridderschap en Eigenerfden samen om met verstand
de beste middelen te beramen ter oirbaar van het land,
wijl ze onder 't groene loof en 't blauwe hemeldak
als Souverein van Drenthe, het heil des volks besprak,
en mét en dóór het volk, zijn wetten en decreten
vandaar alom doet weten."

 

Wie gevoel voor historie heeft, kan misschien begrijpen, hoe de schrijver van een artikel in de ":Drentse Volksalmanak", van 1868, de verzuchting slaakt, dat het nageslacht toch eens in 't Groller-holt een klein gedenkteken moge oprichten ter herinnering aan deze oude plaats der Drentse Landdagen ! Wat tot heden een vrome wens is gebleven!(In ":Drenthina",Volksalmanak voor de provincie :Drente, van 1853, komt een plaatje voor van "Een Drentsche Landdagscomparant op weg naar het Groller-holt, 1681.", bij een artikel over "Landdagen in Drenthe", terwijl een mooie foto van het hedendaagse Groller-holt voorkomt in het 2e deel van "Drente, een Handboek voor het kennen van het Drentse leven in voorbije eeuwen.", onder redactie van J.Poortman.
Sinds men in de tweede helft der vorige eeuw in Drente oog ging krijgen voor de culturele waarde van historische overblijfselen (ik denk o.a. aan de Hunebedden), kwam het Groller-holt onder toezicht van de Provincie, die het aankocht in 1847, zodat het nu gelukkig voor verder vandalisme is beschermd. Trouwens wat nu Groller-holt heet, zijn nog maar schamele resten van het vroegere veel grotere bos. Er zijn ook weer eiken bijgeplant en aan de typische Kruidenflora herkent men nu nog wel de echte oude bosgrond.


 

Uit de Hervormingstijd

Het is voor de Protestantse ingezetenen van ons Gewest, die zich van de Kerkelijke Geschiedenis van Drente misschien zelden rekenschap hebben gegeven, waarschijnlijk wel eens moeilijk zich in te denken, dat al die prachtige oude kerken waarover boven werd gesproken, voor de Rooms-Katholieke Eeredienst waren gesticht.
Eerst in 1598 zette zich hier de Kerk-Hervorming door, en wel op een ietwat vreemde manier. Het was een officiële van bovenaf gedecreteerde "invoering". De Friese Stadhouder Willem Lodewijk bepaalde bij besluit van 10 Mei 1598, dat de Hervorming alom in Drente moest worden ingevoerd. Dat de maatregelen, die daarbij getroffen werden niet altijd met de nodige tact en voorzichtigheid zijn uitgevoerd, is wel zeker. Bij genoemd besluit werd de Pastoors bevolen, zich van hun werk te onthouden, binnen drie weken te vertrekken en de stukken af te geven "aen die Kerkvoogden en de oldsten van den Kerspel", met bericht, dat als zij van pastoor predikant willen worden, en daarvoor geschikt waren, zij in de Drentse Kerspels konden worden beroepen.
Op de eerste grote Kerkelijke vergadering voor Drente, die in Rolde werd gehouden van 12-14 Augustus 1598 wordt de nieuwe situatie nader geregeld. (Dit feit werd op 14 Augustus 1948 in een plechtige Kerkdienst en met een grote Kerkdag in Rolde voor de gehele provincie herdacht).
Nu was er aan deze officiële "invoering" al wel het een en ander voorafgegaan. Reeds omstreeks 1560 had Menso Alting in Sleen, die de grote voorman van de Kerk-Hervorming in Drente zou worden, reeds openlijk van Protestantse opvattingen getuigd. ln de kroniek van Joh.Picardt wordt vermeld, dat er in 1530 heel wat leken en zelfs ook geestelijken tot de nieuwe leer waren overgegaan, Dr J.Naarding wijst er op, dat in het Slener-kerspel reeds vroegtijdig "Hagepreken" zijn gehouden bij het Hunebed, aan de weg van Sleen-Schoonoord, dat daarna nog altijd de "Papeloze Kerk" heet. Dat Drente daarmee nu ineens een echt "Protestantse" provincie was geworden, zal wel niemand kunnen beweren, al werd dan zoals wij zagen, op 29 November 1602 op de Landdag in 't Groller-holt door de Eigenerfden de eed van trouw aan de Protestantse religie afgelegd. Daarvoor was deze overgang te plotseling en te ingrijpend en te veel van bovenaf opgelegd. Natuurlijk konden allerlei strenge maatregelen niet zonder meer worden doorgevoerd. Na 1602 bijv. mocht in Drente zelfs niet meer door Katholieken worden overnacht! Trouwens in het verder verloop van de Kerk in Drente blijkt dat zij eigenlijk een Staatskerk is geworden. Alle kerkelijke beslissingen zijn in handen van de Drost en de Gedeputeerden en van de Landdag. Alle ambtsdragers moesten "lidmaat der Gereformeerde" (dit is Hervormde) Kerk zijn. Zou uit deze eigenaardige, voor ons gevoel wat geforceerde invoering van het Protestantisme, ook te verklaren zijn, dat zich tot op heden verschillende gebruiken hebben weten te handhaven, die in wezen zeker niet Protestants zijn? Ik denk aan de wat magisch-aandoende gehechtheid aan de Kinderdoop, aan de "onmisbaarheid" van een predikant bij de begrafenis. Men laat hier niet gemakkelijk "oude gebruiken" los.


 

Omstreeks 1800

Wanneer wij nu maar de grote sprong wagen van de 17e naar de 1ge eeuw, dan is de verdere ontwikkeling in enkele zinnen te omschrijven. De "Staatskerk" heeft zich ondanks vele moeilijkheden weten te handhaven tot de Franse tijd. Zij is trouw gebleven aan de Dordtse Synode, al had men in 1638 een eigen Drentse kerkorde ontworpen. Men bleef goed orthodox, streng in de leer. Met de inval der Fransen in 1795 kwam aan de "Staatskerk" een einde. De gelijkstelling met de andere geloofsovertuigingen zette zich door. Na de bevrijding van het Franse juk in 1813 en het herstel van Nederlands onafhankelijkheid, maakte Koning Willem I een "Algemeen Reglement voor het Bestuur der Hervormde Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden". Hij liet voor de verschillende provincies reglementen vaststellen op de Administratie der Kerkfondsen. En zo kwamen in 1820 : het Provinciaal College van Toezicht op de Kerkvoogdijen, de colleges van Kerkvoogden en de colleges der Notabelen. Een nieuwe kerkelijke organisatie dus, die wel weer een van boven af opgelegde regeling bleek. Een kleine dertig jaar later komt daarin een grondige verandering. In 1842 besluit de Regering, dat van nu af aan geen veranderingen in de Kerkorde kunnen plaats vinden, dan alleen van uit de kerk zelf voorgesteld. In 1852 wordt het Algemeen Reglement geheel herzien, zodat, althans in beginsel, een volledige scheiding van Kerk en Staat wordt geproclameerd. Het Departement van Eredienst verdwijnt, de laatste Minister van Eredienst treedt in 1862 af. En zo zijn wij genaderd tot die laatste periode van de 19e eeuw, waarin ook de stichting van onze eigen kerk zou plaats hebben. Dié tweede helft der 19e eeuw kenmerkte zich, ook voor onze provincie, door een steeds meer groeiende verschuiving op godsdienstig gebied, de Kerk, met name de Hervormde Kerk in de zanddorpen, verloor hoe langer hoe meer terrein, wat zich voortzette eigenlijk tot op deze tijd. Toch was het oude Drente sinds eeuwen zeer kerkelijk. De oude dorpsgemeenschap was tegelijk de kerkgemeenschap, wat natuurlijk van uit zuiver kerkelijk oogpunt beschouwd, zijn bezwaren had. Dr. van den Berg heeft in vele geschriften daarop gewezen, en de vraag is gerezen, of dat sterke kerkelijke leven uit de 17e, 18e en de eerste helft der 19e eeuw nu wel zo'n grote innerlijke betekenis heeft gehad. Lag daar misschien ook niet een groot stuk "oud gebruik", oude dorpsgewoonte, sleur in ? En als deze factor een zekere rol gespeeld heeft (in hoe sterke mate is wel niet meer met juistheid aan te geven), dan is ook alweer voor een deel te verklaren, dat, waar die oude gebruiken en dorpszeden in verschillende opzichten wegvielen, ook de betekenis van de kerk en de kerkgang wel sterk moest verminderen. Want de voornaamste grondslag van het kerkelijk leven was dan niet het Christendom geweest, maar "het oude dorpsgebruik". De grenzen tussen beide grootheden ? waren niet scherp getrokken. Ik denk hierbij bv. aan de kerkespraak", dat is het afkondigen, eerst in de kerk, later door de voorlezer of veldwachter bij het uitgaan van de kerk, van boeldagen, verkopingen, verpachtingen enz., die met het kerkelijk leven als zodanig niets te maken hadden. Ondanks velerlei protest is dit oude gebruik nog vrij lang in stand gebleven. Eerst toen er kranten met hun advertenties verschenen, verloor deze. "kerke spraak" haar zin, die zó lang haar betekenis heeft gehad voor de dorpsgemeenschap als nieuws-bron, dat iemand als Harm Tiesing zelfs de achteruitgang van het kerkbezoek toeschreef aan afschaffing van de "kerke spraak" . De mensen behoefden nu immers niet meer naar de kerk te gaan om de nieuwsberichten van het dorp te horen! Achteruitgang van het kerkbezoek!
Het kwam waarlijk niet alleen door het verdwijnen van de "kerkespraak". De moderne wereld- en levensbeschouwing, die critisch en afwijzend stond tegenover heel wat dogma's van bijbel- en kerkleer, dit "modernisme", dat in haar uitingen zeker niet altijd paedagogisch verantwoord was, noch tactvol optrad, deed zich ook in onze provincie, zo na 1870 gelden. De kerksheid, die in Drente van ouds zeer groot was, is deels door de prediking v/h Modernisme omgeslagen in een soms zeer grote onkerksheid. Deze ommekeer viel bovendien nog samen met de grote landbouwcrisis waaronder ons Gewest gebukt ging sinds de jaren 1878 en volgende. Nu heeft dit voor de Drentse dorpen (ik bedoel natuurlijk de zanddorpen ) niet betekend, dat men de band met de kerk volkomen verbrak. Zo nu en dan had men de kerk toch nog wel nodig, de persoon van de predikant bleef in de meeste gemeenten toch van grote waarde, en in bijna alle dorpen bleven Doop, Lidmatenbevestiging en kerkelijke begrafenis, tot óp de huidige dag door de meeste nog wel gewenst, al raakte de kerkgang er bij velen uit. Er zullen wel verschillende oorzaken voor dit verschijnsel bestaan. Het is moeilijk om er een afdoend antwoord op te vinden. In de "Terugblik" aan het eind van deze studie, kom ik er op terug. In ieder geval: zo omstreeks 1850 is daarvan nog geen sprake. Hoe zou anders het ontstaan van onze eigen gemeente mogelijk zijn geweest? Is het denkbaar, dat in 1953 zoiets zou plaats hebben! Want zó was 't toen: Grollo, een gehucht uit wat verspreide boerderijtjes bestaande, 38 woningen, met amper 250 zielen, en Schoonlo, een buurtschap van 11 huizen ! Zó was het in 1850 !
Toch waren deze dorpjes in de Drentse geschiedenis niet geheel onbekend gebleven. Over het Groller-holt schreven wij reeds uitvoerig.Wat Schoonlo betreft, dat soms ook wel onder de naam "Scharlo" of "Schraallo" voorkomt, er werd hier in het jaar 1748, op 11 en 12 Juni, een Samenkomst gehouden, waar wel 128 afgevaardigden van verschillende kerspels uit alle delen van Drente bijeenkwamen, om te protesteren tegen bepaalde maatregelen van de regering.
En 't was in Schoonlo, in het jaar 1772, dat de laatste wolven in Drente zijn geschoten. De wolven waren er toen talrijk, en bij de Staten kwamen telkens klachten over de onveiligheid in bossen en velden. De Staten schreven toen een algemene jachtdag uit, die zou worden gehouden in de streken tussen Zuidlaren en Zweelo. De jagers, gewapend met snaphanen, knuppels, vorken, spaden en dorsvlegels, vormden een enorme kring, die steeds kleiner werd. Men naderde elkaar bij Schoonlo. Hier werd de wolf geschoten. In het café werd na dit groot gebeuren rijkelijk feest gevierd, wat ten laatste tot hevige vechtpartijen leidde. Want de Zuidlaarder jagers beweerden, dat zij het dodelijk schot hadden toegebracht, wat de andere betwistten, en zij eisten de premie van f.100,= op. Het had niet veel gescheeld, zo vertelt de kroniek, of naast de dode wolf waren ook een of meer dode jagers komen te liggen! Op de plaats, waar de wolf viel werd een paal als gedenkteken geplaatst, "Wolfsbaak" geheten, die jarenlang een bezienswaardigheid moet zijn geweest. Deze paal is thans verdwenen, maar de herinnering aan dit gebeuren leeft misschien nog wel voort in de heden bestaande "Wolfsakker". Dat de grond bij Schoonlo nog andere herinneringsstukken heeft bewaard, bewijst de vondst van een oude doopsschotel van gedreven koper, die uit de 16e eeuw dagtekende, waarop drie maal het opschrift prijkt: "Hilf uns". Dat deze doopschaal iets met Schoonlo zelf te maken heeft gehad, is zeer twijfelachtig. Deze schaal berustte bij J. Oldewening te Schoonlo, en is in 1893 door het Provinciaal Museum te Assen aangekocht, waar hij te bezichtigen is. En als herinnering aan oude tijd hebben wij hier dan nog de oude "Strubben", restanten van de oude bossen, die al eeuwen geleden tot "akkermaalshout " zijn omgekapt.


 

Drie Pioniers in 1850

Kerkelijke strijd heeft ons gewest na de invoering der Hervorming eigenlijk niet veel meer gekend. Zo heeft de beweging van Ds de Cock, van Ulrum, in 1834, die leidde tot de "Afscheiding", het ontstaan der Christelijke Afgescheidenen, in onze provincie wel enige aanhang gekregen, vooral in de driehoek Assen - Hoogeveen - Meppel maar was niet van ingrijpende betekenis voor het geheel der bevolking. Het zelfde geldt van de beweging van Ds van Raalte uit Ommen, een Chr. afgescheiden predikant, die in 1846 en 1847 de gemoederen in Drente bij zijn aanhangers bracht tot de drang van emigratie naar Amerika. Ze was niet van veelomvattende aard, hoewel deze z.g. van Raalte-trek toch in sommige dorpen van Drente tot een scheuring leidde. Deze emigratie, die dus een verbreking van de dorpsgemeenschap betekende, was, zeker ook wel uit behoefte aan uitkomst in de economische nood ontstaan, maar de grondoorzaak lag toch in godsdienstige motieven. Men voelde zich, geestelijk gesproken, in het liberale Drente niet meer op zijn plaats. De spanning tussen het Calvinisme en het Humanisme is trouwens altijd gebleven. En voor verreweg het grootste deel is de bevolking van onze provincie meer naar de Humanistische dan naar de Calvinistische sfeer gericht gebleven. (Zie hier voor de mooie studie van H.J. Prakke: "Drente in Michigan"). Zo ongeveer in dezelfde tijd is er ook in onze plaatselijke omgeving sprake van een kerkelijke actie, maar van wel heel andere aard. Dat was in de jaren 1847 - 1850. Deze actie was klein van omvang, 't waren immers maar kleine gehuchten, maar ze werd van grote betekenis. Het is nu niet meer uit te maken, wanneer dit precies begon, zelfs niet meer, hoè dat begon. Wie gaf daartoe het eerst de stoot? Uit de nog ter beschikking staande bescheiden komen de namen van drie mannen naar voren, namen, die niet alleen voor het nageslacht bewaard bleven op de Gedenksteen, die boven de ingang van onze kerk geplaatst is, maar die nog in onze dorpen levend zijn gebleven door hunne nakomelingen en naamgenoten: ROELOF HAGTING, REMMELT HAANGE, LENS BEYERING (de laatste van Schoonlo). Deze drie zijn de pioniers van het grote werk, dat zij met onversaagde volharding hebben aangepakt en doorgezet. Het ging om de bouw van een eigen kerk en de stichting van een eigen gemeente. Tot nog toe was men 'n deel v/d kerkelijke gem. Rolde. Maar de afstand was groot, de wegen ongebaand, bij winterweer onbruikbaar. Wat komt er van Kerkgang, Catechisatie terecht ! Welk een schier onmogelijke taak voor de Rolder predikant om in Grollo en Schoonlo huisbezoek en ziekenbezoek af te leggen. Als dàt nu eens werkelijkheid kon worden,een eigen kerk, een eigen dominee in zijn eigen pastorie! De hoofden worden bij elkaar gestoken, op menig bezoek loopt 's avonds het gesprek bij familie en vrienden steeds maar weer over een eigen kerk! Maar het blijft niet bij praten. Als er gebouwd zal worden, moeten de dorpen eerst maar eens tonen, wat het hun waard is, want al zal het zonder subsidie van de Synode, van Rijk en Provincie wel niet gaan, er zal eerst gevraagd worden: "Wat doen Grollo en Schoonlo zelf ?" En ze doen heel wat, die kleine gehuchten, met samen nog geen 300 inwoners. Want zie hier de officiële Staat der vrijwillige bijdragen (aanwezig in het' Rijksarchief te Assen ) :
Staat der Vrijwillige Bijdragen

 

voor een te Grollo te stichten Hervormde Gemeente, waarop, den 30e November 1847 door inschrijvingen toegezegd werd een bedrag van: f. 5409,50.

 

Deze bijdragen waren als volgt toegezegd :

in Grollo :

Remmelt Sijbring
Hendrik Hilberts
Hendrik Sijbring
Jan Westebrink
Jan Hagting
Hendrik Roelfs Sijbring
Remmelt Haange
Willem Haange
Hendrik Gommer
Lucas Huizing
Hendrik Enting
Jan Sijbring
Arend Smit
Erven Langejans
Wed. H.Hilberts
Harm Heuker
Thijs Braams (te Loon)
Egbert Hooben (te Amen)
Jantje Hooben (te Amen)
Frederik Hofsteenge
Hendrik Hadders
Margje Haange
Jan Krobben
I. Kerkvele
Annigje Staal
Willem Huberts
Jan Regtop
Lammert Floris
Jan Brouwers
Thomas Kleinerven
Albert Boes
Jacob Buring
Roelof Heins
Roelof Hagting
Hendrik J.Nassau (te Assen)
f.500,--
f.500,--
f.400,--
f.250,--
f.250,--
f.250,--
f.100,--
f.100,--
f.50,--
f.100,--
f.50,--
f.250,--
f.100,--
f.500,--
f.200,--
f.50,--
f.50,--
f.25,--
f.25,--
f.50,--
f.10,--
f.50,--
f.5,--
f.0,50
f.1,--
f.5,--
f.1,--
f.10,--
f.10,--
f.5,--
f.2,--
f.50,--
f.5,--
f.500,--
f.25,--
Totaal f·4309,--


in Schoonlo :

Lens Beyering
Klaas Strijker
Geert Dolfing (te Orvelte)
Jan Peeks
Willem Beyering
Willem Oldenhuizing
Jan Oldewening
Roelof Oosterbaan
Roe lof Huizing
Jan Beyering
f.150,--
f.125,--
f.50,--
f.200,--
f.50,--
f.50,--
f.400,--
f.25,--
f.25,--
f.25,--
Totaal f.1100,--

 

Grollo en Schoonlo te samen dus f. 5409,50.
47 intekenaren, van wie er 5 niet (of niet meer) in Grollo-Schoonlo woonden! Uit 42 gezinnen in Grollo en Schoonlo kwam dus dit bedrag vrijwel geheel bijeen.
Merkwaardig is onder de contribuanten de naam van Hendr.J.Nassau. Deze Dr Hendrik J.Nassau was de Rector van de Latijnse School, te Assen, een School-opziener in het eerste district, een man die heel veel tot de bloei van de Drentse hoofdstad heeft bijgedragen. Zijn belangstelling voor deze Grollose uiting van geestelijk leven moge hier even worden opgemerkt. (Een portret van hem is te vinden in de mooie dissertatie van Dr H.J. Prakke, de voorzitter van het Drents Genootschap, "Deining in Drenthe", Historisch-Sociografisch Speurtocht door de "Olde Lantschap", Assen 1951, aan welk werk Schrijver dezes veel te danken had.)

 

Nu volgt dan de grote stap: het verzoekschrift aan Z.M.·de Koning! Daar kijkt U even van op. Wat had de Koning daar mee te maken ? Dat kwam kort gezegd hier op neer: de verhouding van Kerk & Staat was toentertijd van geheel andere aard dan tegenwoordig. De regering (Koning) had op kerkelijk gebied een vrij grote macht, zoals wij in een vorig hoofdstuk "omstreeks 1800" beschreven hebben.
In 1852 was wel in beginsel, zoals wij zagen, principieel de scheiding van Kerk & Staat uitgesproken, maar het zou toch nog wel enige tijd duren, eer die practisch kon worden toegepast. Trouwens helemaal volledig is die nooit geworden voor wat onze Ned. Herv. Kerk betreft. Want het Rijk bleef in de meeste gemeenten ter aanvulling van het predikants-traktement, door de gemeente bijeen te brengen, een meestal kleine aanvulling geven als Rijkstraktement en een klein Rijkspensioen.

 


 

Het eerste Succes

Het eerste verzoek, dat in 1850 werd gedaan, ontving geen gunstig onthaal. In Den Haag meende men dat het aantal zielen te klein was voor de bouw van een eigen kerk en voor het traktement van 'n eigen predikant. In 't volgend jaar wordt een tweede poging gedaan, helaas, ook zonder resultaat. Het Provinciaal Kerkbestuur van Drenthe, dat belast is met het overbrengen van deze teleurstellende berichten, schrijft er bij, "dat er voor het tegenwoordige in berust moet worden". Maar Hagting en de zijnen berusten er niet in. Een derde verzoekschrift gaat naar de Regering in Den Haag, nu nog wat beter gedocumenteerd dan de vorige en ziet, tot grote vreugde van allen, die hierbij betrokken zijn, komt het verblijdend bericht: de Koning geeft de toestemming, zij het dan onder enige voorwaarden. De Minister van Financiën, van Bosse; die belast is met de zaken van de Hervormde Eeredienst, geeft daarvan kennis aan het Provo Kerkbestuur van Drente, in een schrijven van 17 November 1852. De Asser courant van 23 Nov. maakte er melding van. Wij laten dit merkwaardige stuk hier in zijn geheel volgen maar merken nog even op, ten aanzien van no.4 der volgende bepalingen, dat in hun laatste verzoek aan het Ministerie reeds de verklaring was opgenomen: "dat zij bij het verkrijgen van hun verzoek afstand doen van alle aanspraak op de Kerkelijke goederen van Rolde en die met alle lusten en lasten overlaten aan de genoemde gemeente."
Zie hier dan het belangrijke Regeringsstuk :


Schrijven van de Minister van Financiën aan het
Provinciaal Kerkbestuur van Drenthe.

 

"De Minister van Financiën, voorlopig belast met het bestuur v/h Departement voor de Zaken der Hervormde Eeredienst, enz. ontvangen hebbende 's Konings besluit v.den 13e November l.l. No.82 waarbij Z.M., op des Ministers voordracht van de 10e tevoren, No.6, naar aanleiding van een adres van R.Hagting c.s. uitmakende een Commissie voor de Kerkelijke belangen der buurtschappen Grolloo en Schoonloo, behoorende onder de Hervormde Gemeente te Rolde (Drenthe). In aanmerking genomen dat de Hervormden te Grolloo en Schoonloo uitmaken een getal van 348 zielen, dat zij bereid zijn en in staat worden geacht in de Stichting van Kerk en pastorie uit eigen middelen te voorzien, tot de jaarwedde van een predikant bij te dragen en de verdere kosten, gevorderd tot het bestaan als een zelfstandige Kerk-gemeente te bestrijden dat zij uitzicht hebben, om in vervolg van tijd in welvaart en zielental toe te nemen, heeft goedgevonden en verstaan machtiging te verleenen tot stichten van een kerk en pastorie voor de Hervormden te Grolloo en Schoonloo, op het daarvoor bestemde perceel grond te Grolloo, Kadastraal bekend gemeente Rolde, Sectie C no. 222 met toezegging, dat, wanneer die gebouwen gereed zijn er een kerkeraad, mitsgaders 'n college van Kerkvoogden en een College van Notabelen aldaar geconstitueerd zullen zijn, ten behoeve dier gemeente handopening zal worden verleend tot het beroepen van een eigen predikant, ten einde zij voortaan een zelfstandige gemeente uitmake, een en ander onder de volgende bepalingen :

 

1e Dat de Stichting van kerk en pastorie geschiede buiten bezwaar van 's Rijks kas, onder goedkeuring van het Prov.College van toezicht in Drenthe, en dat daarmede geen aanvang worde gemaakt, alvorens het Provo College voornoemd zal verzekerd zijn van de beschikbaarheid der fondsen, om het werk tot stand te brengen.
2e Dat de gemeente, mede buiten bezwaar van 's Lands Kas, geheel zal voorzien in de bezoldiging der Kerkelijke bedienden, het onderhoud der Kerkelijke gebouwen en de verdere kosten van de Eeredienst, mitsgaders voor de helft in een jaarwedde van f. 600,-- voor de te beroepen predikant, zullende de wederhelft worden verleend uit 's Lands Kas, onder voorbehoud om later, bij toekomstige vacature van de predikantsplaats, te overwegen in hoeverre er alsdan in verband met het zielental en de gegoedheid der gemeente termen zullen bestaan om in de helft v. h. Leeraars-traktement ten kosten van 's Lands Kas te blijven voorzien.
3e Dat de Kerkelijke administratie bij de gemeente zal worden gevoerd overeenkomstig een Reglement op de administratie der Kerkelijke fondsen en de kosten van de Eeredienst in de provincie Drenthe, en dat de kerk en de pastorie steeds tegen brandschade verwaarborgd zullen worden gehouden.
4e Dat, terwijl de gemeente te Rolde de Kerkelijke bezittingen behoudt, daarentegen die van Grolloo en Schoonloo na de afscheiding niet meer in de Kerkelijke omslag voor Rolde zullen kunnen worden begrepen, zullende, indien er verschil mocht oprijzen ten aanzien der bepaling van het tijdstip, waarop Rolde uit Grolloo en Schoonloo gene bijdragen meer genieten, maar daarentegen ook voor de bedeeling der armen aldaar niet meer zorgen zal, het Provo College voor noemd daaromtrent in de eerste plaats uitspraak zal doen, brengt de inhoud van 's Konings voormeld besluit ter kennis 'van de belanghebbenden te welke einde deze dispositie zal worden gezonden aan de adressanten R. Hagting c.s., ingezetenen van Grolloo en Schoonloo, terwijl voorts afschriften daarvan tot kennisgeving zullen worden medegedeeld aan de Algemene Synodale Commissie der Ned . Hervormde Kerk, aan het Provo College van Toezicht op de kerkelijke administratie der Hervormden in Drenthe, aan het Provo Kerkbestuur van Drenthe,aan het Classicaal Bestuur van Assen, mitsgaders aan Kerkvoogden en Kerkeraad der Hervormde Gemeente Rolde.

 

's Gravenhage, 17 November 1852.
De Minister voornoemd, van Bosse.
VOOR OVEREENKOMSTIG AFSCHRIFT, DE SECR.-GEN. EN ADVISEUR, J.J. ROOZEBOOM.

 

 17 November 1852 ! De belangrijke datum in Grollo's Kerkgeschiedenis. Wij hebben dit heugelijk feit gemeend al eerder te moeten herdenken. Op Zondag 16 November van het vorig jaar(1952) hebben wij in de Kerkdienst bovenstaand schrijven voorgelezen, waarbij verschillende nakomelingen van Roelof Hagting, Remmelt Haange en Lens Beyering waren uitgenodigd.

 

Men kan dus plannen gaan maken voor de bouw van de Kerk en pastorie, maar het toegezegde bedrag van de collecte uit de gemeente, waarvan wij een verslag gaven,is natuurlijk lang niet toereikend, al is de grond daarvoor kosteloos door de familie E. Hoben afgestaan. Er gaat een request naar de Synode om uit het Fonds voor Noodlijdende Kerken en personen een som van f.2000,-- te mogen ontvangen als subsidie voor de bouw.
Op 31 Maart 1853 wordt dit verzoek, warm ondersteund door het Class. Bestuur van Drente en het Provo Kerkbestuur van Drente naar de Synode doorgezonden, ook naar Gedeputeerde Staten van Drente gaat een dergelijk verzoek, dat eerst wordt afgewezen, maar later "beter toegelicht", grotendeels wordt toegestaan. Dit request was namelijk nu vergezeld van vier bijlagen:

 

 

1e een afschrift van het besluit van Z.M. Koning Willem III, van 13 November 1852 om machtiging te verlenen tot 't stichten der gemeente (zie boven),
2e de lijst van de vrijwillige bijdragen (zie boven),
3e een begroting van kosten volgens het bouwen van kerk en pastorie,
4e een tekening van kerk en pastorie.

 

Op deze laatste twee punten kom ik straks nader terug. Eerst nog iets over de inhoud van dit request, dat voor zichzelf spreekt. Zij wijzen er in dit request op, (en het lijkt mij aardig, hier hun eigen woorden aan te halen): "dat van de zijde der gemeente niet meer kan worden bijgedragen dan de opgegeven f. 5409,50; welk bedrag, benevens kosteloze afstand van de grond, waarop die gebouwen zullen verrijzen, en een meer dan voldoende 'uitgestrektheid gronds voor een tuin voor de predikant, welke beduidend kan worden genoemd. Dit alles is reeds bezwarend voor de gemeente, tellende nog geen 400 zielen, met inbegrip van armen, kinderen en dienstboden. Men verlangt vurig een eigen kerk en pastorie te bezitten en niet langer van godsdienstonderwijs verstoken te zijn, op een afstand van de kerk te Rolde van 1 1/4 uur, een veelal onbruikbare weg voor bejaarden en gebrekkige lieden ondoenlijk." Dit verzoek, gedateerd 28 Februari 1853 was ondertekend door het eerste College van Kerkvoogden en Notabelen van de nieuwe gemeente. Tot Kerkvoogden waren natuurlijk aangewezen de drie pioniers, die dit werk hadden aangevangen, Hagting, Haange en Beyering, tot Notabelen waren gekozen: J. Sijbring, J. Hilberts, H. Heuker en J. Westebring uit Grollo, en W. Oldenhuizing en J. Oldenwening uit Schoonlo.
Nadat dit verzoek was toegezonden aan het Provo College van Toezicht, werd het door hem met gunstig advies doorgezonden naar Provo Staten van Drente. Een commissie uit Gedeputeerden die hierover advies moest uitbrengen schrijft dan in zeer gunstige zin, gedateerd Assen 6 Juli 1853 :
"Uwe Commissie achtslaande op de belangstelling welke de ingezetenen dier gehuchten in de godsdienst stellen, duidelijk te vinden in de bijdragen uit eigen boezem van f. 5409,50 en een jaarlijkse toelage van f. 300,-- tot het traktement van de toekomstige leraar, terwijl bovendien de grond, waarop de gebouwen zullen worden gesticht, en de tuin voor de predikant kosteloos worden afgestaan, alle welke geldelijke opofferingen voor 348 zielen worden gedragen, in aanmerking nemende, dat daardoor slechts een tekort blijft van f. 4202,50 en er naar de requestranten wel menen, alle hoop bestaat. om uit het Fonds voor Noodlijdende Kerken en Personen een som van f. 2000,-- te verlangen, waardoor dit tekort op f. 2205,50 zal worden gereduceerd, lettende op de verre afstand der gehuchten van de kerk te Rolde, naar waarheid ter requeste opgegeven, is overeengekomen als haar gevoelen aan Uwe vergadering voor te stellen om in het verzoek van adressanten in zoverre te bewilligen, dat aan hen voor de bouw van kerk en pastory te Grolloo uit de Provinciale Fondsen wordt toegestaan een som van vijftien honderd gulden, dan eerst betaalbaar, wanneer die gebouwen voor hunne bestemming zullen zijn voltooid, opgenomen en goedgekeurd."

 

Maar er was al meer gebeurd, dat nu allereerst onze aandacht moet hebben. Toen het Classicaal Bestuur van Assen de kennisgeving had ontvangen van de Koninklijke goedkeuring tot 't stichten v. d. Grollose gemeente, had dit bestuur een commissie uit zijn midden benoemd om voor Grollo en Schoonlo een kerkeraad aan te wijzen. Door deze Classicale commissie werden aangewezen tot ouderling : Jan Hilberts (Grollo) en Jan Oldenwening (Schoonlo), tot diakenen: Harm Heuker (Grollo) en Willem Oldenhuizing (Schoonlo), die zoals wij mededeelden, alle vier ook in het College van Notabelen waren benoemd. Als Consulent voor de nieuwe en nog vacante gemeente was benoemd Ds E.J. Borgesius, van Rolde. Deze bevestigde de vier genoemde heren, als eerste kerkeraad van Grollo en Schoonlo, in een openbare godsdienstoefening op Zondag 9 Maart 1853, die in de Lagere School te Grollo werd gehouden! (Want van een kerk is dan natuurlijk nog geen sprake.)

 


 

De School

De band tussen Kerk en School is wel van zeer oude datum en niet alleen in Drente. Oudtijds was het onderwijs een zaak van de kerk. De geestelijkheid onderrichtte de jeugd. Na de Hervorming wordt de positie van de schoolmeester geregeld. Hij is bijna altijd de koster van de kerk. Maar aanvankelijk miste men een voldoend aantal goede en geschikte personen hiervoor, want de inkomsten der oude kosterij waren vaak aan de predikant toegewezen, onder verplichting, dat hij voor het onderwijs zou zorgen, wat dan vaak betekende, dat hij, en natuurlijk op de goedkoopste manier, mensen "huurde", die volkomen ongeschikt waren om onderwijs te geven. Om aan al te ergerlijke toestanden een eind te maken werd in 1602 door Drost en Gedeputeerden bepaald, dat de Classen (de kerkelijke vergaderingen) "de nieuwe schoolmeesters zullen examineren en in dienst stellen". In 1628 waren er nog 17 Kerspels, waar helemaal geen onderwijs werd gegeven. Als beloning werd nu vastgesteld een bedrag van f. 100,= 's jaars, waarvoor dan ook het Kosterswerk en het voorzangerschap moest worden vervuld, en de meester inde zelf het schoolgeld der kinderen. Lag een bijdorp verder dan een kwartier gaans van het hoofddorp verwijderd, dan mocht dat bijdorp zelf school houden, zoals later met Grollo en Sqhoonlo ook het geval zou worden, die ieder een bij-school, Schoonlo alleen een winterbijschool, er op na hielden. Meester moest lid van de kerkelijke gemeente zijn, de kinderen onderwijzen in lezen en schrijven, "maar ook dezelve in de Godzaligheid en leer van de Catechismus onderwijzen". Hij moest ook klok-luiden en de uurwerken in de toren opwinden. Deze nauwe band tussen School en Kerk duurt tot na de Franse tijd. Rond 1800 is de school van de kerk los. Dat wil zeggen: Officiëel. In de praktijk bleef het om practische redenen zo, dat in de meeste kerkelijke gemeenten de combinatie Schoolmeester-voorzanger-koster, zij het dan nu vrijwillig, gehandhaafd bleef.

 

En - om nu tot eigen gemeente te komen - dat was jarenlang ook het geval in Grollo. Een jaar na de Inwijding der nieuwe kerk, in 1855, wordt een instructie opgesteld voor de Koster-voorzangervoorlezer en als eerste Koster wordt benoemd ….. de onderwijzer L. Huizingh. Vele jaren later komt bij die functie nog het verplichte bespelen van het orgel. Wat een belangrijke taak was er voor de Schoolmeester in de gemeente toch weggelegd ! Grollo heeft vele jaren ook op deze wijze van zijn onderwijzers geprofiteerd en ten dele doet het dit nog. Wanneer wij het kerkelijk leven in onze gemeente wat meer uitvoeriger gaan beschrijven in de volgende hoofdstukken, zal men over die kosters-taak nog nader worden ingelicht. Maar eerst iets over het Schoolgebouw zelf. We zagen reeds hoe de school voor kerkelijke doeleinden werd gebruikt voor de benoeming van de eerste kerkeraad, en omgekeerd wordt later in de bezettingstijd de kerk voor school gebruikt. Maar dat was niet telkens hetzelfde schoolgebouw. In de Raadsvergadering van 10 November 1847 werd 't besluit genomen om in Grollo een nieuwe schoolte bouwen, "daar de oude te klein en te bouwvallig was. De school zou dan ook op een meer geschikte plaats" komen. Een meesterswoning vond men voorals nog te duur, en aan de onderwijzer Lucas Huizingh wordt wegens het gemis van een vrije woning f. 40,-- toegekend per jaar.

 

Maar uiteindelijk blijkt ook de nieuwe school te duur, er wordt op 18 Juli 1848 een openbare aanbesteding gehouden van "het verbouwen en vernieuwen der vaste bij-school te Grollo". Aannemers waren : Berend Timmer te Rolde en Hendrik Beuving te Elp. Een volkomen nieuwe school kwam eerst in 1883 tot stand. Daartoe was een perceel grond aangekocht, groot 0.09.01 H.A., toebehorende aan een zekere J. Gommer te Assen. Maar, 16 jaar later bleek deze school al te klein, en wordt er, in 1899, ernstig overwogen tot vergroting over te gaan. In 1902 is de toestand nog erger. Er zijn 209 leerlingen, verdeeld over 3 lokalen. Een kamer van de leegstaande pastorie wordt er bij genomen. Het blijft behelpen, totdat de school in 1917 afbrandt. Weer worden kerk en pastorie in gebruik genomen om tijdelijk onderdak te verschaffen.
Gratis behoefde dit niet. Als na ruim een jaar de nieuwe school klaar is, verleent de gemeenteraad op verzoek der kerkvoogdij een som : van f. 100,= als vergoeding voor het gebruik v. kerk en pastorie "die nogal aanzienlijk schade hebben geleden."
De inwijding van de nieuwe school zal met een groot kinderfeest worden gevierd.
Een verzoek van de ingezetenen om subsidie voor dit feest (van het Gemeentebestuur) ondertekend door Ds H.G. Brink en de Heer J. Torensma, Hoofd der School, wordt ingewilligd.
Op 15 April 1918 wordt de school geopend. Nog is dit niet het laatste proces. De school met haar 3 lokalen blijkt geen voldoende capaciteit te hebben voor haar 143 leerlingen.
In 1928 komt het vierde lokaal met enige bergplaatsen gereed.
Grollo is dus nu aan zijn derde schoolgebouw bezig.
Hoe lang in Schoonlo nog een winterbijschool heeft gestaan? (In 1843 bestond zij er wel, in 1888 is zij afgebroken.) Vele mensen hebben haar niet meer gekend. Het is ongeveer 30 jaar geleden dat een verzoek van de inwoners werd ingezonden om een eigen schoolgebouw. Geen succes! Sinds 26 Augustus 1952 is echter Schoonlo ook 'n eigen tweemans-school rijk. Eerst nog in tijdelijke lokaliteit (Café Klaassens). Op 15 Augustus van dit jaar werd het nieuwe keurige schoolgebouw ingewijd, de trots van Schoonoord. (letterlijk uit Vijftig huizen en een kerk. Dient Schoonloo te zijn. LR)

 


 

De bouw van de Kerk

Het wordt nu tijd, dat we eens iets gaan vertellen over de bouw van kerk en pastorie, waarvan de tekening en begroting reeds aan de Provinciale Staten van Drente waren toegezonden, zoals wij boven zagen. Deze begroting luidde dan als volgt :

 

Begroting van Kosten,
wegens het bouwen van een kerk en pastory voor de Hervormde Gemeente te Grollo.

Omschrijving der gevorderde Materialen en Arbeidslonen. Prijs Bedrag
Kerk.
Het graven der fundamenten en het doen van aanvullingen.
14000 mondsteen in zand tot de fundamenten, per 1000
9500 harde grauwe steen in bastard tras, per 1000
75000 harde grauwe steen in kalkmortel, per 1000
1,8 Kub. El Bentheimer steen tot dorpels, etc. per Kub. El
Een deurkozijn in het front met deuren
Elf gegoten ijzeren lichtramen, per stuk
Een dito boven de deur in de toren
Vier ijzeren balken met hangers en schoten, per stuk 1,8 Kub El
buiten- en binnenmuurplaten, per Kub.El
230 vkt El beschoten kapwerk met geglazuurde pannen
Voor de toren met lood, leien , etc. te samen
Voor het klokgebind met klok en toebehoren
Dakgoten met lijsten en afleipijpen
Krammers hoek- en tussenschenkels
170 vkt El Stucadoorswerk met berasteren en lijstwerk per vkt El
Gallery met balustrade
Portaal en trap
Predikstoel en banken
Blaauwe Plavuizen i/d kerk
Glas en verfwerken

 

f. --,--

 

" 9,50

 

" 18,--

 

" 16,--

 

" 70,--

 

" 40,--

 

" 22,--

 

" 26,--

 

" 20,--

 

" 40,--

 

" --,--

 

" --,--

 

 

 

 

 


" 1,40

 

f. 10,--

 

" 133,--

 

" 171,--

 

" 1200,--

 

" 126,--

 

" 40,--

 

" 242,--

 

" 26,--

 

" 80,--

 

" 72,--

 

 

" 621,--

 


" 580, --

 

" 230,--

 

" 73,--

 

" 122,---

 

"238,--
"180,--
"65,--
"480,--
"42,--
"230,--

12% Winst & Onk.
  f.4961,--
"595,--
Kerk totaal   f.5556,--
Pastory
Graafwerken en aanvullingen
18000 mond steen in zand tot de fundamenten per 1000
8000 harde grauwe steen in bastard tras, per 1000
24000 harde grauwe steen in kalkmortel, per 1000
18000 bleke mop in kalkmortel, per 1000
Voor de regenbak
Voor alle deurkozijnen met deuren, te samen
Voor alle lichtkozijnen met ramen
Voor alle balken met ijzerwerk
Voor alle zolders
Voor het besloten dakwerk met greenen muurplaten op het voorgebouw
Gebinten en kap op de schuur
Goten en lijstwerk
Schoorstenen
Vloeren
Beschotten
Trappen
Aftimmeren der kelder en schuur
Kistbalken,plinten en behanglatten
Glas-,verf- & behangwerken

 


f.9,50

 

"18,--

 

"16,--

 

"13,--

f.15,--

 

"171,--

 

"144,--

 

"384,--

 

"234,--
"80,--

 

"196,--

 

"175,--

 

"160,--
"190,--

 


"460,--

 

"315,--
"96,--
"230,--
"168,--
"170,--
"30,--

 

"38,--

 

"66,--
"300,--

12% Winst en Onkosten
  f.3622,--
"434,--
Pastory totaal   f.4056,--

Samen totaal
 
f.9612,--

 

Aldus opgemaakt, door de ondergeteekenden Cornelis Wind en Gerrit Wind, oprigters van werken, beide wonende te Assen.

 

20 Febr. 1853
Ondertekend: C. Wind. G. Wind.

 

 

De Burgemeester der Gemeente Assen attesteert bij dezen, dat bovengenoemde oprigters van werken, CornelisWind en Gerrit Wind als bevoegde deskundige personen tot het maken van voorgeschreven begroting van kosten geloof verdienen en dat ten aanzien hunner eerlijkheid bij mij geene bezwaren bestaan.

 

Assen, 20 Febr. 1853.

 

De Burgemeester voornoemd,
w.g. H.J. Oosting.

 

 

Wie de bij deze begroting gevoegde tekening van kerk en pastorie vergelijkt met de huidige toestand (deze tekening is nog in het Rijksarchief te Assen aanwezig) bemerkt wel enige veranderingen: In de eerste plaats waren in de frontgevel van de kerk geen zijramen rechts en links van de kerkdeur, alleen een raam boven de deur. De zijgevels der kerk vertonen aan beide zijden 5 ramen, die volkomen gelijk zijn. Er was nog geen clublokaal. Wie rekende toen ook op verenigingen en clubs ! Catechisaties werden in de kerk of op de galerij gehouden. Het aantal banken in de kerk bedroeg toen 12, aan beide zijden. Nu: 10. De voorkant der pastorie is onveranderd. Het aantal en de afmeting der kamers evenmin gewijzigd. Wat nu slaapkamer is, heette op de plattegrond: studeerkamer. En de schuur was veel groter en bevatte een paardestal, terwijl in 1859 nog wordt besloten "een brandschuurtje" bij de pastorie te bouwen.

 


 

De Kerkklok

De klok in de toren vraagt nog even afzonderlijk onze aandacht. Het is de aandachtige lezer misschien opgevallen, dat onder de "Begroting van Kosten" een bedrag van f. 230,-- is opgenomen "voor het Klokgebind met klok en toebehoren." Hoe kwam men aan die klok ? Nieuw gegoten en dat voor die prijs ? Het was een "tweede hands" klok, als je dit woord in dit verband gebruiken mag. Hij was niet nieuw, lang niet, want op de klok leest men het volgend inschrift :

 

" † Katerina - vocor- anno - d ñ i - m -CCCC XXII" waarboven nog is ingekrast I T Z 1823.

 

Dat betekent: "Ik heet Katerina, in het jaar onzes Heren 1422." Dus toen dit klokje werd aangekocht bij de bekende klokkengieterij van Gebrs. van Bergen in Heiligerlee, was hij al ruim 400 jaar oud! Waar dit klokje vroeger heeft gehangen en door wie het gebruikt werd, is niet meer uit te maken.

 

Wat het jaartal 1823 betekent, is evenmin bekend. Misschien een jaartal, waarin enige reparatie is aangebracht? Zeker is, dat dit klokje tallozen heeft samengeroepen en velen heeft "uitgeluid", ook toen er van een kerk in Grollo nog geen sprake was.

 


 

De Inwijding

Terwijl dan ijverig aan kerk en pastorie wordt gebouwd, gaat de kerkeraad aan het werk om te komen tot beroeping van de eerste predikant. De vereiste autorisatie of Handopening was intussen door het Ministerie van Eredienst verleend. Dat betekende, dat de Gemeente mocht rekenen op een aandeel van het predikantstraktement.Dit Rijkstraktement was bepaald op f. 300,= 's jaars, maar is later verhoogd tot f.475,=. Op Woensdag 7 December 1853 komt de kerkeraad bijeen tot het opmaken van een zestal namen, waaruit de gemeente zal kiezen. Twee dagen later komen de hoofden van huisgezinnen, voorzover zij lidmaat zijn, in de school bijeen en uit het zestal wordt gekozen de candidaat Cornelis Bolt, hulpprediker te Bakkeveen. De Koster zal hem de beroepsbrief gaan overhandigen. Dit beroep wordt aangenomen en in Maart van het volgend jaar zal de nieuw beroepene zich aan zijn eerste gemeente verbinden. Maar eerst moeten de kerk en pastorie in orde zijn en de 8e Januari 1854 wordt vastgesteld als dag van inwijding. Voor het eerst zal de kerkklok luiden. Deze inwijding zal geschieden door de consulent Ds E.J. Borgesius, van Rolde. Voor deze plechtigheid zijn uitnodigingen gericht, gedateerd 29 December 1853 aan de Commissaris des Konings in de provincie Drente, aan Gedeputeerde Staten van Drente en aan het Provinciaal College van Toezicht in Drente. "Hoogst vererend zal het voor de bevolking van Grolloo en Schoonloo zijn, indien deze plechtigheid door U Ed. wierd bijgewoond." Over deze inwijdingsdienst zwijgen de notulen van de kerkeraad, zowel als van de kerkvoogden. Maar gelukkig is het bericht er van in de krant bewaard gebleven, want we lezen in de "Provinciale Drentse en Asser Courant" van Woensdag 11 Januari 1854: "Grollo. 8 Januari. Heden werd alhier de kerk voor de Herv. Gemeente Grolloo en Schoonloo ingewijd. Treffend waren de woorden, waarbij de Gemeente en dit Godsgebouw door de leeraar Ds. E.J. Borgesius, van Rolde, naar aanleiding van Psalm 65:5 aan de Almachtige werden opgedragen en indrukwekkend zijne herinneringen, daar velen uit Grolloo en Schoonloo door hem in de Godsdienst waren onderwezen geworden, terwijl hij zich verheugde, dat deze met de overige bewoners dier gehuchten, hoezeer van de Hervormde Gemeente Rolde gescheiden, in leer dezelfde waren gebleven en zich nu tot een zustergemeente hadden gevormd. Zowel het College van Gedeputeerde Staten, als het Provinciaal Kerkbestuur en het College van Toezicht hadden hun belangstelling getoond door leden voor deze inwijding af te vaardigen. Voor het College van Toezicht waren aanwezig de heren A.H.Pareau en de adjunct-secretaris. Ook andere genodigden waren opgekomen, ofschoon velen door het ongunstige weer zijn teruggehouden; overigens werd deze plechtigheid door een talrijke menigte bijgewoond".
Over de tweede grote feestdag voor de jonge gemeente zijn we wat uitvoeriger ingelicht. In zwierig handschrift schrijft de nieuw bevestigde predikant de eerste notulen in het Notulenboek van de kerkeraad: "19 Maart 1854 is in de heilige Bediening bevestigd tot Predikant van de nieuw gevestigde gemeente Grolloo en Schoonloo

Cornelis Bolt,

door zijn stiefvader de Weledele Heer L.W. Slomp V.D.M., te Diever. Des morgens bevestigd zijnde naar aanleiding van 2 Tim. 4:5. "Doe het werk van een evangelist, wijd U geheel aan uw dienst" deed Ds. C. Bolt des namiddags zijne intrede, naar Joh. 3:7,: "Verwonder u niet, dat Ik u gezegd heb: Gij moet wederom geboren worden." Zo was dan het grootse doel bereikt: een eigen kerk en pastorie, een eigen predikant. De arbeid der drie stoere werkers en hun aanhang was met zegen bekroond. Een nieuwe, zij het dan zeer kleine, gemeente was aan de Nederlandse Hervormde Kerk toegevoegd. Wat zou haar lot zijn ?

 


 

Toen Grollo een eigen kerk gekregen had

was er bij velen grote vreugde, zoals wij zagen.
Dat die vreugde niet algemeen in Rolde werd gedeeld, begrijpt men. De belangstelling voor het kerkbezoek van uit Grollo zal, naar wij menen, wel niet zo geweldig zichtbaar verminderd zijn geweest, want de afstand van 5 kwartier gaans over een zeer slecht begaanbare zandweg zal, behoudens bij enkele bijzondere kerkdiensten, zoals Doop en Huwelijksinzegening, wel niet door velen uit Grollo en nog minder uit Schoonlo zijn afgelegd. Maar op het gebied van de financiën speelde deze "afscheiding" voor Rolde toch wel degelijk een rol. Dat blijkt dan ook uit het verzoek om schadevergoeding, dat tot het Provo College van Toezicht d.d. 11 Maart 1854 werd gericht, een schadevergoeding, die door de gemeente Grollo zou moeten worden betaald, daar zij wel vrijgesteld was van het delen in de jaarlijkse omslag voor de eredienst te Rolde, maar niet van het nakomen van vroeger aangegane verbintenissen en gemeenschappelijk gemaakte schulden. In dit, in een tamelijk scherpe en hier en daar bittere toon gestelde schrijven, gaat de kerkvoogdij van Rolde zelfs zover, dat zij het stichten van de kerk in Grollo een aanwijzing vindt van een groeiende welvaart, zeker in de toekomst, en het een groot verlies acht voor de gemeente Rolde, daar, schrijven zij "Rolde steunt op de hulp van onze meest gegoede ingezetenen, en dat waren nu juist de inwoners van Grollo, (de grote landeigenaars !)." Zij wekken in dit schrijven de indruk, dat Rolde op zich zelf alleen bestaat uit keuters, ambachtslieden en dagloners. Ja, doordat de Grolloërs hun kerkelijke verplichtingen niet van plan zijn na te komen, wordt de kerk van Rolde met "de ondergang bedreigd". Dan zou zij verplicht zijn zich te combineren met Assen. "En welke winst zal aan de vaderlandse kerk zijn toegebracht door de stichting van een nieuwe gemeente, wanneer zulks de ontbinding van een andere ten gevolge heeft?" Kerkvoogden van Grollo beantwoorden deze ·brief met de vraag: waarom Rolde heeft berust in de door Z.M. de Koning en de Minister van Eredienst aan hen medegedeelde scheiding met alle daarbij bepaalde voorwaarden, het Kon. besluit, dat zij al meer dan 1 1/2 jaar geleden hebben ontvangen, waarom nu ineens dit wonderlijk protest! Grollo heeft zich gehouden aan alle door de Regering voorgeschreven voorwaarden. De zaak wordt beslist door het Provinciaal College van Toezicht op de kerkelijke goederen ten gunste van Grollo, en op het verzoek van Rolde om vergoeding vanuit Grollo wordt afwijzend beschikt, uitvoerig gedocumenteerd door Mr. S. Gratama, te Assen. 31 Mei 1854 is deze zaak dan afgedaan, want van een door Rolde geuite bedreiging met een proces voor de rechtbank, schijnt niets meer te zijn gekomen. Later horen wij nog wel eens iets van een klein conflict over armen-bedeling van hen, die volgens de Rolder Kerkeraad nu voortaan door Grollo moeten worden verzorgd. Hier speelde voornamelijk een rol de niet geheel duidelijk aangegeven grensscheiding, zoals die door het Class. Bestuur was vastgesteld. Maar van enige moeilijkheden is toch eigenlijk later, gelukkig, nooit meer sprake. De gemeente van Rolde bleek heus niet tot ondergang gedoemd.
Wij zouden nu graag eens iets willen vertellen over de toestand op Godsdienstig gebied en over het kerkelijk leven in de nieuwe gemeente. Was er nu in de kleine gehuchten een nieuwe geest gekomen? Maakte de geregelde kerkgang naar de eigen kerk, de catechisatie-uren, die de jeugd nu zonder veel moeite kon bijwonen, een eind aan onverschilligheid en laksheid ? Wie de notulen-boeken van kerkeraad en kerkvoogdij van die eerste tijd raadpleegt, wordt er niet veel wijzer van. Maar in de Provo Drentse en Asser Courant van 8 April 1854 lezen wij toch nog iets over de eerste-Avondmaalsviering in onze gemeente:
"Met algemene stemmen heeft de kerkeraad alhier besloten de aanstaande Goede Vrijdag toe te wijden aan de plechtige gedachtenisviering van de dood onzes Heeren. Dien tengevolge heeft onze geachte leeraar Ds. C. Bolt l.l. Zondag de gemeente kennis gegeven, dat bij de voormiddaggodsdienstoefening van dien dag de voorbereiding tot het H. Avondmaal en des namiddags de viering van het zelve zou plaats hebben." Zo diende het plaatselijk dagblad destijds voor kerkelijke berichtgevingen, die men, althans niet zo uitvoerig en in deze stijl, tegenwoordig in geen enkel dagblad meer zou opnemen. Uiterst beknopt en eigenlijk alleen zakelijk worden we over de diaconale en andere financiële middelen ingelicht. En het zegt ons niet veel, dat de eerste rekening van de Diaconie over 1854 een bedrag aan ontvangsten te zien geeft van f. 293,84 1/2 en aan uitgaven van f. 213,02 1/2. Vanwaar die uitgaven? Er werd vrij veel bedeeld in geldelijke steun, en een voorstel wordt aangenomen om aan "armen, die de openbare godsdienstoefeningen niet bijwonen of zich aan sterke drank te buiten gaan" geen onderstand te verlenen.
Over het kerkbezoek zelf zal wel niet te klagen zijn geweest, want als wij de oude mensen van nu horen vertellen hoe in hun jeugd nog de kerkgang algemeen in ere was, en, iedereen als vanzelfsprekend naar de kerk ging, dan zal dat in de eerste jaren van het bestaan der nieuwe gemeente zeker niet minder het geval geweest zijn. Groot in aantal is het bezoek natuurlijk nooit geweest, want bij de "afscheiding" van Rolde waren er 108 lidmaten in Grollo woonachtig en 36 in Schoonlo, die als eerste lidmaten van de nieuwe gemeente in de lidmaatboeken werden ingeschreven. Deze 144 mannen en vrouwen (gehuwden en ongehuwden te samen) vormen dus het begin van de nieuwe gemeente. De eerste nieuwe lidmaten in Grollo bevestigd de 25 Maart 1855, waren vijf in aantal: Zwaantje Jakobs-van der Spoel, Geesje Jakobs, Jantje van Rhee, Jan Hilberts Schepers en Thaal Buins. Bijna ieder jaar trad een bepaald getal nieuwe leden toe en ook door vestiging van buiten groeide het leden aantal. Maar voordat dit eerste vijftal nieuwe lidmaten in Grollo was bevestigd, had reeds de doopbediening plaats gehad. Binnen een maand na de inwijding vond reeds de eerste doopbediening plaats, op Zondag 5 Februari 1854. Jantien, dochter van Roelof Dilling en Aaltje Floris, en Willemtien, dochter van Albert Boes en Geesje Heins waren de eerste dopelingen. Een blik in de Doopregisters laat ons zien, dat er vaker per jaar werd gedoopt dan nu, meestal 4 à 5 maal per jaar, maar het aantal dopelingen is dan nooit meer dan 1 of 2.
Het Heilig Avondmaal werd naar oud gebruik vier maal per jaar gehouden. Of er veel van deze avondmaalsbediening werd gebruik gemaakt, vertelt de historie niet, wel dat er, eveneens oud gebruik, enige weken tevoren de "Censura morum" had plaats gehad, d.w.z. een onderzoek naar het zedelijk leven der lidmaten, om te weten of er ook waren, die naar kerkelijk reglement de toegang tot het Avondmaal moest worden geweigerd, omdat hun levensgedrag aanstotelijk was. En dan; de Huwelijksinzegening. Reeds in het zelfde jaar van de Kerkinwijding hadden er twee huwelijksinzegeningen plaats: op 17 September van Albert Boer en Jantje Schuiling, op 24 October van Gerrit Stevens en Jantje Kloek, en in elk volgende jaar komen twee of drie maal de namen van kerkelijk ingezegende echtparen voor. Niet algemeen gebruik dus, maar dan toch wel heel wat meer in ere dan de laatste tientallen jaren. Deze toestand duurt nog tot 1878. Maar dan heeft er twee en zestig jaar lang geen huwelijksinzegeningmeer plaats, totdat eerst in 1940 Ds. P. Inberg van Diever en Aaltje Hadders van Schoonlo weer een volkomen vergeten plechtigheid in ere herstellen. Dat goede voorbeeld vond echter maar weinig navolging. Slechts negen echtparen hebben sindsdien deze kerkelijke inwijding begeerd.
Aan een orgel was bij de bouw van de kerk blijkbaar niet gedacht, of wellicht waren de geldmiddelen niet meer toereikend. Trouwens, hoevele kerken moesten het welzonder orgel doen en konden zich voldoende redden met het werk van een voorzanger.
In 1855 zien we dan ook de kerkeraad in gecombineerde vergadering met de kerkvoogd bijeen voor de instructie van zulk een onmisbaar kerkelijk personage. "Aan de betrekking van voorlezer en voorzanger, alsmede die van koster, zal een honorarium verbonden zijn van vijftig gulden 's jaars, onder de volgende condities: De koster zal verpligt zijn:

a. des Zaterdagsavonds het briefje te halen,
b. zal hij zorg dragen des Zaterdags, alsmede op Zon- en Feestdagen een uur voor de godsdienstoefening de klok enige ogenblikken te luiden,
c. vervolgens moet hij de borden in de kerk aanschrijven, alsmede bij de viering des HeiligAvondmaals zorgen, er genoegzaam brood is, alsmede de wijn.
d. Ook is hem opgedragen het aansteken en het uitblussen van het licht bij het Godsdienstonderwijs, alsmede bij elke avondgodsdienstoefening. Er was n.l. in Februari 1855 besloten, dat "voor de avonddiensten de nodige Engelse lampen zullen worden aangekocht."
e. Eindelijk heeft de benoemde koster op zich genomen het schoonhouden en luchten der kerk, en het aantekenen der collecten, gehouden zowel voor de armen als voor de kerk." Deze eerste benoemde koster was de onderwijzer L. Huizingh, die bovendien moest zorgen dat de kerk behoorlijk "geluchtigd, uitgeveegd en uitgestoft werd." Dit alles tegen een honorarium van f. 50,-- 's jaars en twee vrije zitplaatsen in de bank tegenover de pastoriebank.

 

Dat men bij de kerk nu ook een eigen kerkhof wenst te bezitten, spreekt van zelf en zodoende wordt nog in 't zelfde jaar der stichting een verzoek gericht tot Gedeputeerde Staten en later tot de Gemeenteraad om een begraafplaats te mogen aanleggen. Ieder bestaand huis kan voor de familie slechts één slag verkrijgen ten bedrage van f. 3,-- per slag.
Bij de toestemming door de Gemeenteraad van Rolde, om tot de aanleg van een begraafplaats over te gaan, was nadrukkelijk bepaald, dat de aanleg en het onderhoud er van door de Gemeente Grollo zelf zou worden gedragen. De herdenkingssteen, die bij de ingebruik-neming van het nieuwe kerkhof werd geplaatst (en er nog steeds staat) draagt deze woorden:

"Aangelegd 1855.
O droogt uw tranen af,
Gij, die zo bitter weent,
Dit is de weg des doods
die ons ten leven leidt".

Op de achterzijde is een treurwilg aangebracht. Tot de eerste grafzerken op deze begraafplaats behoren die van Remmelt Haange, van Jan Oldewening en zijn vrouw Annechien Perkaan, van Schoonloo, van Alagonda Geertruida Borgesius, geb. 20 Maart 1831, overleden 27 October 1857, de onvergetelijke echtgenote van C. Bolt, predikant te Grollo, van Jantje Tingen, echtgenote van Roelof Hagting, overleden in 1857, van Aaltien Homan, echtgenote van Albert Huizing, overleden 25 Maart 1859.
Op hoe jonge leeftijd is zij heengegaan, die eerste dominees-vrouw van Grollo en Schoonlo, die hier haar rustplaats vond. Dertien jaar later volgde haar man, ook in Grollo zijn levenstaak beëindigend. Het kerkhof gaf steeds meerdere namen te lezen. Vele van de familie Hoben :
Egbert Hoben, kerkvoogd, overleden te Grollo 2 Mei 1875 en zijn echtgenote Hendrikje Sijbring. Albert Hoben, overleden 1879 en zijn echtgenote Grietje Buiting. Pieter Hoben, zoon van Egbert Hoben en Henderkien Sijbring. Twee jong gestorven kinderen van Albert Hoben en Grietje Buiting. Ruim 15 jaar later wordt besloten een lening aan te gaan om een lijkenhuisje, tevens betere bewaarplaats voor de doodsbaren te plaatsen.

 

Langzaam voltrekt zich nu, jaar na jaar, een zich steeds meer consolideren van de kleine gemeente, die nog al eens met kleine onderlinge geschillen, maar vooral met financiële moeilijkheden heeft te kampen. Toch valt nog wel melding te maken van de Schenking aan de Kerkvoogdij, door de Markgenoten van Grollo en Schoonlo, van verschillende percelen "heideveld, schil- of hakbos, turfveen, weiland, dennebos, struiken en struwelen", groot in het geheel 421 bunder, 45 roeden en 30 ellen. Deze schenking was reeds gedaan bij acte van 20 Augustus 1852, verleden voor Mr. J.T. Kymmel, notaris te Westerbork en was nader bevestigd bij acte van 19 Mei 1868, verleden door Jhr. Mr. A.W. van Holthe tot Echten, notaris te Assen. Bij besluit van 1 Augustus 1868 wordt door Z.M. Koning Willem III aan Kerkvoogden toestemming verleend deze schenking te aanvaarden. De verkiezing door de stemgerechtigde lidmaten der gemeente, waarbij oorspronkelijk vereist was een aanslag in de Grondbelasting van 6 -12 gld., (bij 12 - 18 gld. had men 2 stemmen, enz.) ging in 1871 over op een "Kiescollege", met een aantal van 10 leden (het dubbele dus van de kerkeraad) die met de kerkeraad te samen de benoeming en beroeping zouden doen, maar toen was de eerste predikant, Ds. C. Bolt, na een 16-jarige ambtsbediening alhier, overleden, de 22e Februari 1870, na een zeer langdurige ziekte, waardoor geruime tijd reeds voor zijn heengaan de catechisaties gegeven werden door de Consulent Ds. Borgesius van Rolde. Maar diens gezondheid liet niet toe naar Grollo te komen, zodat de catechisanten dus tijdelijk weer naar Rolde moesten tijgen. Lang duurde deze vacaturetijd gelukkig niet. Op 18 Juni 1871 deed hier de candidaat Isaäc Sannes Spandaw zijn intrede, na bevestigd te zijn door zijn vader Ds. P. Spandaw van Finsterwolde, waarbij ook aanwezig was zijn broer Ds. H.A. Spandaw van Beilen.
Tijdens zijn voorgangersschap wordt, zo vertellen de notulen, besloten een gedeelte van het heideveld, de Tienmaat genaamd, productief te maken en een halve bunder met dennenzaad te bezaaien en daar, waar de grond er voor geschikt is, ook andere soorten hout te poten.
Een besluit van het Provinciaal Kerkbestuur van Drente wordt ook in deze gemeente gevolgd: voortaan de Provinciale Bid- en Dankdag voor het gewas te houden op de 2e Zondag in Maart en de 1e Zondag in November.
Van lange duur is dit verblijf van Ds. Spandaw hier niet geweest; na bijna 5 jaar vertrekt hij naar Koekange en dan komt die rij van predikanten, die na één of twee jaar alweer vertrekken, tot er in 1887 een vacature ontstaat, die bijna achttien jaar zou duren! Vijf predikanten in tien jaar! Dat dit voor het kerkelijk leven niet veel opbouwen versterking betekende, is zonder meer duidelijk. De oorzaak er van? Voor zover wij kunnen nagaan, hoofdzakelijk van financiële aard. Een zeer laag traktement, een pastorie, waaraan niet veel geld te kosten kon worden gelegd, slechte verbindingen met de buitenwereld.

 

Hadden Hagting, Haange en Beyering zich dertig jaar te voren dan toch vergist? Kon GrolloSchoonlo dit werk niet meer aan? Op verschillende missives van de Synode en de andere Kerkbesturen lees ik als antwoord: dat de gemeente ter vermeerdering van het predikantstractement niets meer kan bijdragen, "daar de kerkelijke belasting hier reeds bijzonder hoog is."
Wat hiervan te denken? Is er een diepere achtergrond bij dit alles? Voelde een volgende generatie niet zo meer de verantwoordelijkheid voor wat hun ouders waren begonnen ?
Na Ds. Spandaw komen dan Ds. Eelko van Kleffens, G. van Wijhe, L.J. van Hoorn, N.E. van Laer Dinckgreve, dan na een vacature van 3 jaar Ds.W. P.M. Moulijn, een Ned. Ind. pred., die met verlof in Nederland was, en als hij na een jaar vertrekt in 1887, ontstaat een predikantsvacature, die 18 jaar duurt. (Voor de volledige lijst der predikanten die vanaf 1854 tot heden hier hebben gewerkt, zie men de Bijlage achter in dit boekje).
Ds. van Kleffens is de eerste, die met de invoering van de z.g. "Nieuwe Gezangen" een begin maakt. Dat was de z.g. Vervolgbundel, die in het oude Kerkboekje begon met Gez. 193, en in 1866 verschenen was. Zeer vele van deze "nieuwe Gezangen" zijn in ons tegenwoordig kerkboek ook weer opgenomen.
Grollo maakte met deze voor ons nu overbekende "nieuwe" gezangen kennis omstreeks Pasen 1877. Er waren enige Zondagnamiddagen vastgesteld om enkele liederen in te studeren.
Ds. van Wijhe klaagt er over, dat het bijwonen van de catechisaties door de jongens veel te wensen over laat en "over het vreselijk oneerbiedige gedrag tijdens dat het Godsdienstonderwijs gegeven wordt."
Na het vertrek van Ds. Moulijn in 1887 worden verschillende beroepingspogingen gedaan, maar zonder resultaat.

 

Het vergeefse beroepen moede, wordt besloten bij de Ring de toestemming aan te vragen om een godsdienstonderwijzer te mogen aanstellen.(1892) Na verkregen toestemming van Ring en Classicaal Bestuur wordt uit de sollicitanten de heer L.J. Bakker te Kropswolde gekozen. Vermoedelijk trekt deze zich later terug en dan volgt de aanstelling van de heer Tiemen Boerema, te Assen, voor één jaar, onder voorwaarde dat de kerkeraad voortga met het beroepingswerk. (April 1894).

 

De Consulenten (meestal de predikanten van Rolde) bleven het voorzitterschap van de kerkeraad waarnemen, maar de Ring doet afstand van haar preekbeurten. Dit duurt 6 jaar. De heer Boerema ontvangt op zijn verzoek met ingang van 1 November 1900 eervol ontslag, om in Akkrum de betrekking van procuratiehouder bij Twijnstra's oliefabriek op zich te nemen. Met woorden van hartelijke dank voor al zijn werk in de gemeente, verleent de kerkeraad hem dit ontslag. De Ring en de Classis wensen, dat er nu geen dispensatie meer zal worden ontvangen en de kerkeraad weer pogingen zal doen om een eigen predikant te krijgen.

 


 

De laatste 50 jaar

Het is nu tijd, dat wij eerst even de beide buurtschappen in ons verhaal betrekken, die mede deel uitmaken van de Kerkelijke gemeente Grollo-Schoonlo. Het zijn naar leeftijdsvolgorde: Papenvoort en Vredenheim. Papenvoort, de naam althans, is aloud. Het lag aan de oude zandweg, die van Rolde naar Borger voerde, oudtijds een "voorde", of doorwaadbare plaats in het daar stromende diepje. Bij deze voorde zou op zijn vlucht, toen hij door de invoering van de Hervorming hier geen veilige plaats meer kon vinden, een priester of paap zijn vermoord. Vandaar dan de naam "Papenvoorde". Zo althans vertelt de volksmond. Zo'n vijftig jaar geleden stond er langs deze zandweg maar een enkele woning, de oudste van de fam. Braams, thans meer dan tien. Wat die verhalen uit de volksmond betreft, er moet hier in vorige eeuwen een oud gebruik bestaan hebben: wanneer een nieuwe meier werd ingehaald, dan hingen er in de baander of in het deurkozijn van zijn toekomstige woning enige knollen, en vóór het betreden van het huis moesten hij en de zijnen daarin bijten, tot groot vermaak van de omstanders. Vandaar dat de Grolloënaren de Spotnaam gekregen schijnen te hebben van: "GrolIer Knollen". Iets dergelijks wordt verteld van het dorpje Anderen, waarbij geen knollen, maar een bosje van de een of andere groente werd opgehangen, wat de inwoners van dit dorp de Spotnaam van "Moeshappers" heeft bezorgd.

 

Vredeheim is van veel jongere datum. Het grote heideveld, ten Noorden van Grollo, eens bezit van de familie Hoben, was door aankoop in 't bezit gekomen van de heer Jan LeIs, van Kinderdijk (gemeente Alblasserdam). Hij liet daar enige percelen ontginnen en boerderijen bouwen, waarvan de twee oudste dateren van ongeveer 50 jaar geleden.
Sindsdien zijn er meerdere boerderijen bijgekomen, zodat deze buurtschap thans een 10-tal welvarende bedrijven omvat, die dus alle binnen de grenzen der kerkelijke gemeente Grollo vallen. (Onmiddellijk aan dit gebied grenzend ligt het bosrijke terrein van het Bonds-Kampeer-centrum "De Berenkuil", geëxploiteerd door de gemeenten Groningen, Hoogezand-Sappemeer, Veendam en Rolde, een modern vacantie-centrum met 18 zomerhuisjes, ieder voor 6 personen en een kampeerhuis met slaapzalen voor conferenties, schoolweken enz., 'n cantine in typisch Drentse stijl. Dit op 31 Mei 1952 geopende vacantie-centrum brengt des zomers heel wat logé's, die voor een deel ook de weg naar onze kerk weten te vinden, terwijl de ruime cantine ook voor onze kerkelijke jeugdgroepen in de wintermaanden een steeds belangrijker aanwinst wordt).

 

Na het vertrek van de heer Boerema duurt het nog 5 jaar, eer de gemeente weer een eigen predikant ontvangt in de persoon van de cand. D. van Peursem, die op 22 October 1905 door de Consulent Ds. Offerhaus wordt bevestigd.
Maar daaraan was iets zeer belangrijks voorafgegaan.
Wij hadden het over de financiele positie van de predikant en nu moet hier melding gemaakt worden van een belangrijke poging om het predikants-traktement in Grollo te verhogen. Deze actie ging uit van een aantal bekende figuren in onze provincie, die begaan waren met het lot van onze gemeente, die 17 jaar lang vacant was. Immers na het vertrek van Ds. Moulijn in 1887, was men er niet meer in geslaagd een eigen predikant te kunnen krijgen, hoofdzakelijk door het zeer lage traktement. Wel was zoals wij zagen van 1894-1900 de heer T. Boerema als godsdienstonderwijzer hier werkzaam geweest, en had zich met grote energie en veel toewijding van zijn taak gekweten, op alleszins lofwaardige wijze, maar vanuit kerkelijk standpunt was de gemeente vacant gebleven. In 1904 hebben zich een aantal bekende figuren tot een commissie verenigd, die met een circulaire, gedateerd 5 October 1904, zich tot allerlei belangstellenden in Nederland richtten, om te komen tot de Stichting van een Fonds, het Fonds Grollo, uit welks rente het predikantstraktement kon worden verhoogd. Door jaarlijkse bijdragen of vrijwillige giften in eens zou dit kapitaal moeten worden bijeengebracht. Zij schrijven in deze circulaire : "Onder de vacante gemeenten in ons vaderland is bezwaarlijk een dorp te vinden zo moeilijk te bereiken als deze plaats. Geen burgemeester, dokter, notaris of ontvanger is er metterwoon gevestigd." Zij menen, dat de belangstelling in godsdienstprediking en godsdienstonderwijs kon worden hersteld "in deze herderloze gemeente en er kans is er haar weder te laten genieten van de voortdurende omgang met een eigen herder en leraar, voorrechten, die Grollo in 17 jaren niet heeft gekend. " Ondertekenaars van deze circulaire waren :
Dr. P.H.Suringar, Conrector van het Gymnasium te Assen, Ds. H.H.Brucherus Cleveringa, pred. te Gieten, Ds.H.R.Offerhaus te Rolde, Ds.D.Edens,pred. te Eext,C.van Gorkum, Boekhandelaar te Assen, J. Hagting, notabel te Grollo, J. Hofsteenge, ouderling te Grollo, A.Huizing, wethouder der gemeente Rolde, en Adm. Kerkvoogd van Grollo, Mr.L.A. S.J.de Milly van Heiden Reinestein, lid van de Gedeputeerde Staten van Drente, te Zuidlaren, R. Oostenbrink, Kerkvoogd te Schoonlo, Mr. F.Pleyte, Officier van Justitie, te Assen, Ds. H.Rutgers, pred. te Vries, Ds. D.W.Schuring, pred. te Assen en H.Sijbring, diaken te Grollo. Aan deze oproep werd in zo grote mate gehoor gegeven, dat al terstond een jaarlijks bedrag van f. 150.- kon worden gegarandeerd voor de verhoging van het pred. traktement, en er in October 1905 door de komst van de candidaat van Peursem een eind kwam aan de langdurige vacature. Vermelding verdient, dat onder de ingekomen giften een bedrag was van f. 100.- van H.M. de Koningin-Moeder. In het Reglement van de Stichting van dit Fonds werd bepaald, dat de toelage slechts zal worden uitgekeerd aan predikanten van vrijzinnige richting. In de Asser Courant kan 1 Aug. 1905 worden meegedeeld, dat "thans" is ontvangen aan bijdragen een som van f.3408.64 ½ en f.6950.- aan jaarlijkse bijdragen.
En in de "Kerkelijke Courant", weekblad voor de Ned.Herv.Kerk van 27 Oct.1905 komt onder het officieel gedeelte een bericht voor over de bevestiging en intrede van Ds.van Peursem, dat eindigt met de goede wens: "Deze Domine's dag bracht in kerk, pastorie en verder in het dorp vele mensen in opgewekte geest bij een. De Consulent, hoewel hopend, dat hij daarmee overbodig werk deed, drukte 's morgens de jongelieden op het hart er voor te zorgen, dat het einde van deze dag niet in strijd zou komen met het begin, gelijk dat vroeger in Drente maar al te veel het geval was".
Door de stijging van het kapitaal kon de laatste jaren de uitkering uit het Fonds op f. ·280.- per jaar worden gebracht, zodat met voldoening mag worden geconstateerd, dat deze actie, nu bijna 50 jaar geleden aangevangen, nog steeds van betekenis is voor de inkomsten van onze kerkvoogdij.
Ter verbetering van het kerkbezoek in de winter wordt op aandrang van de kerkeraad besloten een kachel in de kerk te plaatsen, in November 1905 is de kerk verwarmd, en - zo vertellen de Kronieken van de kerk - op de eerste Kerstdag van dit jaar wordt door de predikant aan het einde der godsdienstoefening aan de kerkvoogden de dank der gemeente betuigd voor deze verbetering. Na een twee en een half jaar lang verblijf vertrekt Ds. van Peursem naar Eindhoven; en binnen een jaar ontvangt Grollo-Schoonlo zijn nieuwe predikant in de persoon van Ds. F. Smid, die uit Visvliet komt. Ook zijn arbeid hier is niet van lange duur, 10 April 1909 doet hij zijn intree en 14 Augustus 1910 vertrekt hij naar Noordwijk (Gron.). Een lange vacature van 7 jaar breekt aan. Het wil niet erg lukken met het beroepingswerk. Allerlei beroepen worden uitgebracht, voornamelijk op candidaten. De kerkvoogdij ziet voorlopig geen kans de pastorie te verbeteren, en ook aan een verzoek om een kerkorgel aan te schaffen kan niet worden voldaan.
Maar enige tijd later schijnt er toch wat verbetering te zijn gekomen in het financiële aspect. Op 12 Augustus 1911 heeft een aanbesteding plaats voor de herstellingswerkzaamheden aan kerk en pastorie, ten bedrage van f. 547,- voor timmerwerk en f. 120,- voor verfwerk. Maar de Synode had dan ook geholpen met een subsidie van f. 320,- en het Provo College van Toezicht met f. 160,-.

 

Het salaris van de Voorzanger kon met f. 200 worden verhoogd en op f. 75,- worden gebracht. Er is zelfs nog f. 20,- beschikbaar voor nieuwe vruchtbomen in de pastorietuin ! Ja, er wordt zelfs een orgel voor de kerk aangekocht. Op de jaarrekening van 1919 komt een bedrag van f.260 voor, voor aankoop van een orgel. (Het zal dit instrument zijn, tweedehands, waarvan de gemeente dertig jaar lang heeft "Geprofiteerd", tot het werkelijk niet langer meekon, en men beter zonder orgel, dan met dit vrijwel onbespeelbare ding kon zingen. In '49 kwam de definitieve verbetering, (waarover later meer).
In een nieuwe instructie voor de koster, van 28 Februari 1920 heet het, dat deze verplicht zal zijn, "bij doopsbediening het bekken te plaatsen en van water te voorzien, de borden aan te schrijven, bij het H. Avondmaal brood en wijn in de kerk te bezorgen en bij iedere godsdienstoefening het orgel te bespelen."
(Sinds er geen koster is, zijn deze werkzaamheden aan de dominee en de organist ten deel gevallen !)
De koster krijgt vijf vrije Zondagen, en wel 2 in de Paas- of Pinkstervacantie, en drie in de grote vacantie. Het is meestal het Hoofd der School, die deze functie waarneemt.
Enige malen komt hun naam in de notulen-boeken voor: J.v.Belkum, die in 1893 ontslag vraagt als voorlezer en voorzanger en opgevolgd. wordt door Rudolf Venekamp. Na hem komt 1 Januari 1902 de heer W. Emmens, die later als landbouwkundige 'n zeer geziene figuur van Drente wordt, wiens borst-beeld prijkt voor de R.L.W.School te Emmen.
Er wordt besloten nog eens weer moeite te doen om een godsdienstonderwijzer of hulppredikerte krijgen. Maar dit blijkt dan toch niet nodig, want op 16 December 1917 houdt Ds.H.G. Brink, laatstelijk predikant van Ruinerwold, zijn intree preek; en men slaagt er ook in zoals wij zagen, een - gebruikt - Harmonium te verkrijgen voor de kerkdiensten, al laat de bespeling daarvan wel eens wat te wensen over, zeggen de notulen v.d. kerkeraad.
Ruim 5 jaar mag de gemeente zich verheugen in het bezit van deze actieve voorganger, tot hij op 14 Januari 1923 afscheid neemt, wegens zijn vertrek naar Andijk.
In de nu aangebroken vacature zal de jonge predikant van Zweelo, Ds.C.B.Burger als Consulent optreden, daar Grollo voortaan door de Ring Coevorden zal worden bediend, wegens het te grote aantal vacatures in de Ring Assen.
Tijdens dit Consulentschap komt de aansluiting bij de Raad van Beheer voor de predikantstraktementen aan de orde. Deze blijkt onmisbaar, maar dat betekent, dat het pred. traktement in Grollo een aanzienlijke verhoging zal moeten ondergaan, wil men kunnen beroepen. Er zal door de gemeente minstens f. 465,- meer moeten worden opgebracht en dat kan alleen als de hoofdelijke omslag van f. 500,- op f.1000,- wordt gebracht; een verdubbeling dus. De Consulent neemt op zich alle gezinnen te bezoeken en hen de vraag voor te leggen of zij hun "Kerkgeld" willen verdubbelen. Op één gezin na, stemmen alle toe. Er kan dus beroepen worden en zo kan met Kerstmis 1925 Ds.G.W.Goedhart, emeritus-predikant te Oosterbeek, en gewezen legerpredikant, zijn intrede doen.
Deze predikant moet veel voor de kinderen gevoeld hebben. Hij richt hier een Zondagsschool op, en ter verbetering van 't kerkbezoek worden weer geregeld ochtend- en avonddiensten om beurten gehouden. Maar na ruim een jaar wordt de gemeente weer herderloos, want Ds. Goedhart vertrekt 24 April 1927, naar Nieuw-Beerta (Gron.).
Tijdens de predikantsvacature, ontstaan door zijn vertrek, kwam een heel belangrijk vraagstuk aan de orde. De toestand van de Pastorie, die bijna 75 jaar oud was, en waaraan noemenswaard niet veel was verbeterd noch veranderd, liet dermate veel te wensen over,dat ernstig moest worden gedacht aan een grondige restauratie, of, nog beter aan het bouwen van een nieuwe. Deze kwestie kwam het eerst ter sprake in een kleine commissie, die bestond uit de consulent, Ds. Meyer, van Gasselte, twee kerkeraadsleden en twee kerkvoogden, die 28 September 1927 vergaderde.
De Consulent meent, dat een subsidie voor dit doel van wege de Synode zeker niet onmogelijk zal zijn wanneer aan de Collecte voor het Fonds Noodlijdende kerken en personen en aan de bijdragen voor de Generale Kas is voldaan. Voorts wordt uit de vergadering opgemerkt, dat er tegen de es aan een stuk heide ligt van ruim 3 H.A., sedert jaren renteloos en dat nooit iets zal opbrengen. Men schat de waarde hiervan op ± f.1500.
De kerkeraad zal een bedrag van f. 100,- van de Boerenleenbank afnemen, kunnen bijdragen. Aankloppen om steun bij andere gemeenten acht men ongewenst, daar deze meestal met eigen moeilijkheden hebben te kampen. Men zal zich eerst met een architect in verbinding moeten stellen om een begroting te krijgen. Maar dan moet allereerst een grote vergadering worden samengeroepen van de kerkeraad, de kerkvoogden en notabelen.
Deze vergadering vindt plaats op 13 October d.a.v. De Consulent zet uiteen, wat er in de kleine commissie voorlopig was besloten. Men is het met deze plannen algemeen eens. Besloten wordt de architect Boelens te Assen, bouwkundig adviseur der Synode, uit te nodigen bestek, tekening en begroting te willen maken en, zo hij dit niet kan doen, hem het adres van een ander architect te vragen. En dan zal men daarna weer in grote vergadering samenkomen.
"Algemeen was men van gedachte",zo vertelt het notulenboek der kerkvoogdij, "dat als men een betere pastorie had, men ook gemakkelijker een predikant zou kunnen krijgen, wat aan het godsdienstig leven ten goede zal komen. Zoals het thans gesteld is, kan het niet langer".
Dat was October 1927. Verder wordt over dit plan niet meer gerept, althans in de notulen-boeken. We zijn nu weer zes en twintig jaar verder, maar de oude pastorie is gebleven, en bereikte dus de leeftijd van honderd jaar.

 

Begin October 1928 verkrijgt men toch weer een nieuwe predikant in de persoon van Ds. W.S. Winsemius, die uit Surhuisterveen kwam, en die men negen jaar mocht behouden, totdat hij in 1937 met emeritaat naar Groningen vertrekt.
En dan gaat het verder vlot met de op een volgende beroepingen. Lange predikants-vacatures zijn er niet meer.
Reeds 11 April van het zelfde jaar doet candidaat P. Inberg zijn intrede. Met deze jonge predikant komt er ook ineens wat nieuw leven in de gemeente. Hij stelt voor om de Jeugddag, die in vrijzinnige kringen altijd op de laatste Zondag in Februari wordt gevierd, ook hier te houden, met een uitgebreide liturgie. Hij richt twee jongens-clubs op, hij begint over de mogelijkheid van een Paasspel en wenst dat de kerkeraad er bij de kerkvoogden op aan zal dringen, dat in de ongewenste wijze van "orgelbegeleiding in de diensten" een definitieve verbetering zal worden gebracht. En niet te vergeten, het is door zijn initiatief dat de ingrijpende verbouwing in de kerk plaats vindt, waardoor het voorste gedeelte van het kerkgebouw tot clubhuis wordt ingericht, en de kerk nu een grondige restauratie ondergaat. Volgens de begroting van architect J. Boelens bedraagt dit een som van f. 1447,- voor de kerk (reparatie dak, stucadoorswerk, schilderwerk, - zowel van binnen als van buiten - nieuwe trap naar orgelgalerij) en f.4180 voor het clubgebouw.
Na ruim twee jaar vertrekt hij naar Diever, en het is op 10 September 1939 dat de candidaat H. Alkema zijn intrede doet. Weldra is ons land in oorlog. Practische moeilijkheden van allerlei aard doen zich voor. De Duitse bezetting maakt het ook voor de kerken niet gemakkelijk. Het is juist in deze tijd, dat zich in onze Ned. Herv. Kerk een beweging doet gelden, die aanvankelijk voor het richtings-vraagstuk in onze kerk van grote betekenis leek te worden. Wij bedoelen de actie van "Kerk-opbouw".
Ook deze ging niet helemaal ongemerkt voorbij aan Grollo.
De bedoeling van deze groep, waartoe zowel orthodoxe als vrijzinnige predikanten en gemeenteleden behoorden, was een nieuw organiseren van kerkelijk werk, meer activiteit te wekken onder de gemeenteleden zelf en daarbij vooral ook trachten een toenadering te brengen tussen de vrijzinnige en orthodoxe groepen, ja eigenlijk de hele richtingsstrijd te liquideren. De gedelegeerden Ds Wieringa, van Anlo, Ds Roskam Abbing van Smilde, brachten hier een bezoek, 22 September '42, om het doel van deze actie te verduidelijken, wat in de drukkende bezettingsjaren dubbel nodig, maar ook dubbel moeilijk zou zijn: de kerkelijke boodschap onverminderd te doen klinken.
Moeilijkheden ontstaan direct al van plaatselijke aard, doordat de kerk en het clublokaal voor het school-onderwijs worden ingericht, daar de Lagere School door de Arbeidsdienst is gevorderd. (September '43). Ook van de Pastorie wordt een gedeelte door de Duitsers gevorderd. 25 November 1944 preekt Ds Alkema afscheid wegens zijn vertrek naar Ezinge.
Daar Ds Westrik van Rolde, om gezondheidsredenen ontslag heeft moeten vragen, treedt Ds Winterwerp van Gasselte als Consulent op.
Onder de zeer drukkende oorlogs-omstandigheden, zal het niet mogelijk zijn een nieuwe predikant te beroepen. Ook de Consulent, evenmin als de andere ringbroeders, is wegens fietsbandengebrek niet bij machte de gemeente geregeld te bezoeken en te verzorgen. Men zal met spoed naar een hulpprediker uitzien. De Ring staat hiervoor het gehele Ringgeld af aan , 'n nieuw te benoemen candidaat, die als hulpprediker mocht komen.
Want door de abnormale omstandigheden, waarin ons Vaderland leeft, zal aan Theologische candidaten ook in vacante gemeenten worden toegestaan de prediking des Woords te bedienen, in afwijking van de reglementen. Als hulpprediker wordt bereid gevonden Mr J.van Leeuwen, te Groningen. die zijn theologische studie bijna had volbracht. Nadat allerlei moeilijkheden zijn opgelost transport van inboedel, brandstoffen-voorziening enz., heeft Zondag 4 Maart 1945 de bevestiging plaats. Een maand later wordt ook ons dorp bevrijd, door de komst der Canadezen, een grote opluchting, het Nederlandse volk gaat zijn lang ontbeerde vrijheid, na vijf ongelooflijk zware jaren tegemoet. Maar eerst heeft hier nog een ontzettend drama plaats.
Op de dag vóór de bevrijding worden in Schoonlo vader en zoon Klaassens, verdacht van hulp aan Franse piloten, door de Duitsers zonder nader onderzoek meegenomen en in Schoonoord gefusileerd. Een gedenkteken op het kerkhof blijft aan deze droeve en misdadige gebeurtenis de herinnering bewaren.
Drie jaar lang werkt Mr van Leeuwen hier als hulpprediker, om zich in 1948 beroepbaar te stellen als predikant. Hij neemt een heroep naar de gemeente Witmarsum (Fr.) aan en neemt op 26 September van dat jaar afscheid. Het Kiescollege dat zich intussen met het beroepingswerk heeft bezig gehouden, onder voorzitterschap van de Consulent Ds G. J. Romijn, van Gasselte, heeft Ds E. van Ruytenberg te Veendam beroepen en deze doet 10 October intrede, na bevestigd te zijn door zijn vriend. Ds W.F. Dikboom van Zuidlaren.

 

En nu zijn we dan aan de laatste vijf jaren, van de honderd, die we behandelden, genaderd. De schrijver van dit boekje, die samen met zijn vrouw, in die vijf jaar de geestelijke leiding van onze gemeente heeft gehad, wil trachten zich er zo objectief mogelijk over te uiten. Het was een aantrekkelijk beginnen in een kleine zeer overzichtelijke gemeente, waarin nog allerlei mogelijkheden op uitvoering wachtten. Een nieuw kerkorgel was dringend nodig. Het ging eenvoudig niet meer. Het orgelfonds begon met een verloting daarna brachten enige lekespel-opvoeringen een batig saldo, vervolgens een flinke collecte huis aan huis in natura, en de f. 3000,= was bijeen; ruim 9 maanden later kon het nieuwe orgel worden ingewijd in de godsdienstoefening van Zondag 23 October 1949. Het werd bij deze gelegenheid bespeeld door de Heer Leo Mens, organist der Pieterskerk te Leiden. Na het nieuwe orgel: de nieuwe kerkboeken. Bij sommige enige tegenzin. Nu hadden die oude boeken met de mooie zilveren sloten, erfstukken in de familie soms, geen practisch nut meer. Maar na enige zangavonden om met de nieuwe melodieën kennis te maken, daarbij gesteund door het kerkkoor, onder leiding van Meester Essing, ging het er wel in.
De kinderen, na afloop van de Schoolcatechisaties, kregen natuurlijk ook een nieuw exemplaar, en zo is het vrijwel in elk gezin te vinden. Na de Kerkboeken: een eigen Lekespel-podium voor de Jeugdbeweging, in de kerk, want na ons eerste Lekespel (Ruth) op het uit stropakkengeimproviseerde podium, bleek, dat we een eigen vast podium met coulissen nodig hadden. De jongeren gingen "knollen plukken" voor dit goede doel, een kleine collecte, een voorschot van de kerkeraad, dat volgend jaar kon worden afgelost, en we waren in het bezit van een stevig passend spelpodium, dat precies pasklaar was gemaakt voor de grote ruimte tussen preekstoel en banken en dat de Zondagavond voor Kerstmis in gebruik werd genomen.
Het Verenigingsleven had al direct onze aandacht gevraagd. Wat is tegenwoordig een kerkelijke gemeente zonder Vrouwenvereniging ? Ook op dit gebied bleek een grote kans voor kerkelijke opbouw te liggen. Er wordt in Grollo een Ned. Herv. Vrouwen Vereniging opgericht, die door mijn vrouw wordt geopend op 22 October 1948, even later eveneens onder leiding van mijn vrouw, een gelijke groep in Schoonlo. Men sluit zich direct aan bij de Federatie van Vrijz. Herv. Vrouwen-Verenigingen in Drente, en zo begon een stuk heel belangrijk werk. Op deze samenkomsten werden vaak de liederen uit het "nieuwe" kerkboek ingestudeerd. Ook voor deze groep was ons Kerkpodium van waarde, toen zij (een groep van elf vrouwen) het mooie spel "Martha en Maria" opvoerden. Trouwens, oud en jong had er profijt van. Onze Zondagsschoolkinderen met hun Lente(Pinkster) spelletjes, ons Meisjes Vrije Vogel Koortje op de kerkelijke feestdagen en de oudere groepen van J.G. en J.B. met hun Kerst- en Lijdensspelen. Kerk en Jeugd. De verhouding blijft vaak zo moeilijk. Ondanks het geregeld contact, dat de jongeren met dominee en dominé's vrouw hadden, was de kerkgang zo onbevredigend. Een verbetering bracht de instelling van onze Jeugdkerk, die eens in de maand Zondagsochtends (behalve in de Zomermaanden) haar deuren opent voor alle jongeren, ongeacht ze al - of niet - lid zijn van een kerkelijke groep. Onze eerste jeugddienst, 19 November '50, werd geleid door Mevr. RoedersSchuurman, uit Rolde, het succes-vol begin van een goede reeks jeugddiensten, waarbij verschillende predikanten, jeugdleiders en jeugdleidsters, candidaten om beurt de dienst leiden. Naast het Vrijz.-Protest. maandblad "Philadelphia" kregen we, vooral voor de plaatselijke berichten steeds meer behoefte aan een eigen dorpsorgaan, waarmee we vlugger de gemeente konden bereiken, en dat lukte ook vrij gauw. Het eerste nummer van "Ons Dorpsblad", Dorpsnieuws voor Grollo, Schoonlo, Vredeheim en Papenvoort, dat 's Vrijdags om de 14 dagen uitkomt, verscheen 15 Mei 1951. Het wordt nu zo ongeveer in alle gezinnen gelezen en bevat behalve de kerkelijke berichten, ook mededelingen uit andere dorpsorganisaties als b.v. Plattelandsvrouwen, B.O.D. , en andere, en het staat open voor elke vereniging, die in onze Dorpsgemeenschap haar leden heeft.
Toen 1 Mei 1951 de nieuwe "Kerkorde der Ned. Herv. Kerk", zij het niet dan na veel aarzelingen en gevoelens van onzekerheid, vooral bij de vrijzinnige leden van de kerk, was ingevoeId (ook onze Kerkelijke Colleges waren principiële tegenstanders gebleven, nadat de kerkorde op enige Gemeenteavonden was besproken), hadden er enkele wijzigingen plaats. Het Kiescollege werd opgeheven en de verkiezing der kerkeraadsleden kwam aan de gemeente-leden in haar geheel. De Kerkeraad werd met 2 leden uitgebreid en op een aantal van 6 personen gebracht, 3 ouderlingen en 3 diakenen, van wie er tenminste 2 in Schoonlo woonachtig moeten zijn.

 

1952 werd een jaar van ingrijpende betekenis.
1 Mei van dat jaar ging mijn emeritaat in, de laatste predikant, in die honderd jaar, wegens het bereiken van de 65-jarige leeftijd. Op aandrang van Kerkeraad en Kerkvoogden had ik mij graag bereid verklaard, om, indien de Provo Kerk vergadering in Drente en de Ring Assen hun toestemming en medewerking daartoe wilden verlenen nog enige jaren als hulpprediker mijn werk voort te zetten, mede met het oog op de waarschijnlijkheid van een weer lange predikantsvacature. Die toestemming werd voor twee jaar verleend. Op 27 April legde ik het predikantsambt neer en werd in diezelfde dienst door de Consulent Ds A.G. Roeders, van Rolde, tot "Bijstand in het Pastoraat" (Hulpprediker ) geinstalleerd.

 

Twee maanden later, 26 Juni, ging mijn vrouw heen, na een langdurige dapper gedragen krankheid. Het is niet mijn taak te schetsen, wat zij als dominé's vrouw voor onze gemeente heeft betekend in haar leiding van verenigingen en clubs, in haar persoonlijk contact met gezonden en zieken. Het verlies is groot, en er was niemand die haar in deze dingen kon vervangen. "De dienaars gaan voorbij, het werk blijft".
Ook het werk van de kerk in Grollo.

 

In de eerste week van dit jaar 1953 riepen wij onze gemeenteleden samen op 'n tweetal gemeenteavonden in Grollo en Schoonlo, om te beraadslagen over de financiële toestand der gemeente ! Door de aanstelling van een hulpprediker, en het verplicht afdragen v/h gemeente-traktement aan de Ring (want Grollo was een "vacante" gemeente geworden, al merkte de gemeente daarvan niets, doordat al het werk op normale wijze verricht bleef) kwam de Kas van de Kerkvoogdij in de knel, en bovenal zou straks bij het beroepingswerk van een nieuwe predikant een heel wat groter verplicht traktement moeten worden in 't uitzicht gesteld(om nog te zwijgen van de grote restauratie-kosten, die door verbetering van de pastorie zouden worden vereist.) De bijdragen der gemeenteleden zouden zeker moeten worden verdubbeId. Zou Grolloo dit n i e t kunnen dan zou 't met het zelfstandig bestaan der Ned.Herv.Gemeente alhier gedaan zijn; zij zou worden gecombineerd met een andere naburige gemeente - (waarschijnlijk zou dat Rolde zijn). En nu kunnen wij als laatste bericht in onze Kroniek dan mededelen, dat de overgrote meerderheid deze verhoging van haar kerkelijke bijdragen als een onmisbare eis heeft erkend., want men wenst de eigen kerk met een eigen predikant te behouden.
Zou het ook anders kunnen in het jaar, waarin wij er met eerbied op terugzien hoe ons voorgeslacht honderd jaar geleden de eigen zelfstandige gemeente heeft gesticht! En dat er nog wel liefde voor de kerk zo hier en daar leeft, zie ; In het begin van dit herdenkingsjaar werd ons kerkgebouw verrijkt met een kostelijk geschenk. In de avonddienst van 25 Januari mocht ik namens de familie J. Huizing en J. Huizing-Beyering een prachtige electrische lichtkroon, die een zacht licht uitstraalde, aan de gemeente overdragen. Ter herinnering aan het feit, dat Huizing in die maand 25 jaar lang het ambt van kerkvoogd had bekleed, dat ook door zijn vader ruim 25 jaar was waargenomen, bood hij deze kroon aan de kerk aan. Wij kunnen onze kerk zonder dit fraaie sieraad ons al niet meer goed voorstellen.
Er leeft nog iets in Grollo, ook voor de toekomst !!

 


 

Terugblik

Honderd jaar! Een eeuw van kerkelijke arbeid, van zegen en van tegenslag ligt achter ons. Goede plannen, mooie resultaten, grote moeilijkheden en teleurstellingen hebben elkaar afgewisseld. Het meest belangrijke hiervan heb ik U in het voorafgaande getracht te schetsen. Ik ben mij bewust, dat heel veel hiervan alleen in de ogen van de bewoners van onze dorpen van betekenis is, en voor buitenstaanders wellicht heel onbeduidend zijn moet.
Wie na deze terugblik van honderd jaar het verleden met het heden vergelijkt, komt tot niet altijd even opwekkende conclusies. Er is sinds de stichting van kerk en gemeente ongetwijfeld veel en goed werk verricht. Met name in de laatste vijftig jaar is er vanuit de kerk (wat in de meeste gevallen betekent: vanuit de pastorie) allerlei werk aangepakt, dat tot versterking van het godsdienstig leven bedoeld was, allerlei groeperingen, waarvan men voor 50 jaar niet droomde. Ik denk aan: Zondagsschoolwerk, Kerkelijke Jeugdbeweging, Godsdienstige en andere lekespelen, Jeugd-Kerkdiensten, Kerkelijke Vrouwen Verenigingen, enz. Het arbeidsterrein der predikanten en predikantsvrouwen werd daardoor sterk uitgebreid. Dat dit in vele gevallen betekent : opbouw van godsdienstig leven, staat voor mij vast. Ik weet, dat vele ouderen en jongeren voor hun verder leven daaraan onzegbaar veel te danken hebben gehad. De waarde van dit alles schat ik waarlijk niet gering. Maar de verwachting, die bij dit alles gekoesterd werd, is niet in vervulling gegaan: de kerkgang is zwak gebleven. Hét zwakke punt in onze Drentse gemeenten is : Kerkbezoek, geregeld kerkbezoek. Niet : zo nu en dan eens bij bijzondere feestelijke Samenkomsten, als er iets "te zien" valt, een stampvolle kerk! Maar .. de geregelde Zondagochtenddienst ? Hoe komt het dat, volgens de Statistieken, Drente tot de meest onkerkse provincies van Nederland behoort ? Het is niet zo eenvoudig daarop een aanvaardbare verantwoorde verklaring te geven. Het ligt niet binnen het bestek van dit geschriftje hierop uitvoerig in te gaan. Dit verschijnsel van onkerksheid is niet iets van zeer oude datum. Want Drente was aanvankelijk zeer belangstellend kerks. lets daarvan vinden wij zeker terug in hetgeen hier in 1853 heeft plaats gehad. Over een algemene wending in het kerkelijk leven, zo omstreeks 1880 schreven wij reeds boven. Er is een volkomen andere waardering van de Zondag gekomen en dat waarlijk niet alleen in Drente. Een zich gemakkelijker kunnen verplaatsen, 't gebruik van de fietsen, autobussen, betere verkeersmiddelen, goede begaanbare wegen, dus veel betere gelegenheid om familie-bezoeken te kunnen afleggen, de steeds toegenomen behoefte aan wedstrijden op sportgebied (met name van voetbal).
Maar deze zijn niet specifiek Drentse verschijnselen. Het meest karakteristiek voor ónze provincie, lijkt mij wel de ontzaglijke drang naar familiebezoek, familie hier genomen in de meest uitgebreide zin van het woord. Dat dit op de Zondag moet vallen is vanzelfsprekend, evenals het feit, dat daarmee een ontzaglijke belemmering voor het kerkbezoek is ontstaan. Naar andere en grotere gemeenten gemeten, slaat Grollo niet zo'n gek figuur. Maar over geheel Drente en met name het Noordelijk deel, is er in de Vrijzinnige gemeenten toch slechts van een zeer kleine kern van kerkgangers sprake. Wat natuurlijk niet betekent dat er geen godsvrucht, geen geloof zou zijn. Het innerlijk leven is zeker bij velen niet gering te schatten. Er zijn er, die meer of min geregeld naar kerkdiensten of wijdingsstonden van de VPRO luisteren, ook onder hen, die nooit in de kerk komen.
Waarom valt de kerkgang dan velen zo moeilijk? Het is nu eenmaal geen gebruik meer om te gaan. Het oude gebruik bracht vroeger mede, dat men ging, iedereen ging. En men durfde niet goed thuis te blijven. Nu is het juist andersom. Er gaan er weinigen, de meesten gaan zelden of nooit. En nu durft men zich ook aan dit "gebruik" niet te onttrekken. Het is nog nooit gemakkelijk geweest een "uitzonderings-mens" te zijn.
Valse schaamte? Waarschijnlijk wel bij sommigen, van enkele weet ik het zeker.Of er in dit alles een kentering kan of zal komen, is niet te voorspellen.Wat wij hier even aangeraakt hebben, hangt nauw samen met het probleem van Kerk en Wereld. De verhouding tussen deze twee grootmachten maakte een ontzaglijke wijziging door. Dit proces is nog steeds aan de gang. In de wereld, in Nederland, natuurlijk ook in onze provincie.
Wij willen ons niet in toekomstmogelijkheden verdiepen. Onze tijd vraagt wel, heden, en ook in de kerken en ook in Grollo, mensen met volharding en verantwoordelijkheidsbesef.

 

Wij zijn aan het einde gekomen van de taak, die wij ons stelden.
Van volledigheid is geen sprake, daar de bronnen, waaruit geput kon worden, te schaars zijn. Tegelijk met dit Herdenkingsboekje verschijnt een film-strook : "Grollo in heden en verleden" door mij samengesteld, die in deze Herdenkingsweken in verschillende samenkomsten zal worden gedraaid, en waarvan de beelden, portretten, landschappen, oude en nieuwe woningen, trachten een beeld te geven van die hier werkten, leefden en hoe hun omgeving was en tot op heden gegroeid is. Zo gaat het werk voort.
Mocht eens een Kroniekschrijver over de nu komende 100 jaar (of eerder) het vervolg van dit boekje gaan schrijven, dat hij dan moge getuigen hoe deze oude Drentse gemeente in betekenis, misschien ook in welvaart, maar vooral in geestelijke diepte en kracht is toegenomen !

 


 

Bijlagen

A. NAAMLIJST DER PREDIKANTEN EN HULPPREDIKERS die van 1853 - 1953 de Gemeente Grollo - Schoonlo hebben bediend.

1 Cornelis Eolt,cand.bulpprediker te Eakkeveen.
    Intrede: 19 Mrt. 1854. Overleden: te
      Grollo 22 Febr. 1870.
2 Isaäc Sannes Spandaw, cand.
    Intrede: 18 Juni 1871. Vertrokken:
      26 Mrt. 1876 naar Koekange
3 Eelke van Kleffens, cand.
    Intrede: 16 Juli 1876. Vertrokken:1878
       
4 G.van Wijhe, pred. te Nw.Dordrecht.
    Intrede: 15 Juni 1879 Vertrokken:
      31 Oct. 1880 naar Maasdam.
5 L.J.van Boorn, pred. te Stitswerd (Gr.)
    Intrede: 1881 Vertrokken: Augustus
      1881 naar Metslawier.
6 N.E.van Laer Dinkgreve, pred. te Biaure (Fr.)
    Intrede: 7 Mei 1882. Vertrokken:
      21 October 1883.
7 W.P.M.Moulyn, Ned.Ind. pred. (met verlof).
    Intrede: Mei 1886. Vertrokken: 1887.
       
8 T.Boerema, te Assen, Godsd.onderwijzer 1894.
    Vertrokken 1900 naar Akkrum (Overle-
      den 9 April 1953).
9 D. van Peursem, cand.
    Intrede: 22 Oct. 1905. Vertrokken:
      10 Mei 1908 naar Eindhoven.
10 F. Smid, pred. te Visvliet.
    Intrede: 10 April 1909. Vertrokken:
      14 Aug. 1910 naar Noordwijk (Groningen)
11 H.G. Brink, Em.pred.v.Ruinerwold.
    Intrede: 16 Dec.1917. Vertrokken:
      14 Jan. 1923 naar Andijk (N.H.)
12 G.W. Goedhart, Emerit. pred.
    Intrede: 1926. Vertrokken: 1927.
       
13 W.S. Winsemius, pred. te Surhuisterveen.
    Intrede: 10 act. 1928. Vertrokken:
      Jan. 1937 als Emeritus naar Groningen
14 P. Inberg. cand.
    Intrede: 11 April 1937. Vertrokken:
      1939 naar Diever.
15 H. Alkema, cand.
    Intrede: 10 Sept. 1939. Vertrokken:
      25 Nov. 144 naar Ezinge.
16 Mr J.van Leeuwen, Hulpprediker.
    Intrede: 4 Maart 1945. Vertrokken:
      26 Sept. 1948 naar Witmarslim (Fr.)
17 E. van Ruytenberg, Pred. te Veendam.
    Intrede: 10 act. 1948. Emeritaat
      1 Mei 1952. Sindsdien Hulpprediker - heden.

 


B. LIJST DER CONSULENTEN, die tijdens de predikants-vacatures, van 1853 - 1953 de Gemeente Grollo-Schoonlo hebben bediend.

1. E.J. Borgesius, Rolde. 1853-1854 en 1870-1871
2. J. Swiers, Rolde. 1879
3. H.A.B. Reddingius 1880-1881
4. H.J. Eisveld de Witt 1881
5. A.P. Meyer, Gieten 1884
6. D. Cannegieter Hzn. 1885
7. G.Th. Gerritzen 1885 en 1888
8. G.Borgesius Sikkema 1885
9. W. de Vries 1891-1892
10. L.J. van Hoorn 1893
11. H.Huizenga 1895
12. J.H. de Roode,Rolde 1896-1900
13. G.Borgesius Sikkema 1900-1904
14. H.H.Brucherus Cleveringa 1904
15. H.R. Offerhaus,Rolde 1904-1905 en 1908-1916
16. J.Nijenhuis Ockhuysen, Gasselte 1906
17. J.F. Homan, Rolde 1916-1917 en 1923-1924
18. C.B. Burger,Zweelo 1924-1925
19. H.F.A.J. Westrik,Rolde 1927--1928 en 1937
20. H.F.Winterwerp, Gasselte 1944-1946
21. G.J.Romijn,Gasselte 1947-1948
22. A.G. Roeders, Ro1de 1952-heden.

 


 

Naschrift

Wanneer in dit boekje gesproken wordt over de gemeente Grollo, is daar althans voor de tijd na 1918, steeds mee bedoeld de gemeente, waartoe behalve Grollo ook behoren; Schoonlo, Vredenheim en Papenvoort. Gemakshalve is deze lange titel, die telkens zou moeten worden gebruikt, verkort tot de naam van het grootste dorp. De goedwillende lezer zal dit ook wel begrepen hebben. De officiële titel van onze kerkelijke gemeente, waarmee zij is ingeschreven in de Registers der Ned.Herv.Kerk luidt: de gemeente Grollo-Schoonlo.
Voor de inhoud van dit geschriftje is gebruik gemaakt van vele acten, schriftelijke en gedrukte stukken, van ouder en jonger datum, maar ook van velerlei mondelinge en schriftelijke mededelingen en adviezen.

 

Met name wil ik mijn hartelijke dank betuigen aan de heren :

 

Drs E.J.Werkman, Rijks-archivaris te Assen.
Dr J. Naarding, Bestuurslid "Het Drents Genootschap".
Dr H.J. Prakke, Voorzitter van "Het Drents Genootschap"
Dr R.D. Mulder, Bibliothecaris Provo Bibliotheek.
H. Clewits, Directeur van de "Prov.Drentse en Asser Courant."
J.Westra van Holthe, Ambtenaar a/h Rijksarchief te Assen.

 


 

Literatuuropgave

Voor de samenstelling van dit boekje zijn door mij de navolgende werken geraadpleegd :

  • Notulenboeken van de Kerkeraad der Ned.Herv.Gem. van Grollo-Schoonlo, van 1853 - 1953.
  • Notulenboeken van de Kerkvoogdij der Ned. Herv. Gem. van Grollo--Schoonlo 1853 - 1953.
  • Verbalen van het Prov.College van Toezicht op de Kerkelijke goederen der Ned.Herv.Gemeenten in Drente, jaargang 1854.
  • Drents Plakkaatboek door Mr J.G.C. Joosting dl. 1 1412 - 1635. Leiden E.J. Brill. 1912.
  • Dossiers van de Provo Staten van Drente,jaargang 1853.
  • Mr J. Belonje en J.Westra van Holthe. Genealogische en Heraldische Gedenkwaardigheden in en uit de kerken der Provo Drente. Assen 1937.
  • Bulletin Oudheidkundige Bond. 1901 - 1902.
  • Platen-Atlas van het Provinciaal Museum te Assen
  • J.S.Magnin. Losse Bladen uit de. Drentse Geschiedenis.
  • J.S.Magnin. Overzicht der Kerkelijke Geschiedenis van Drente.
  • Joosting en Knappert. Schetsen uit de Kerkelijke Geschiedenis van Drenthe.
  • Drentse Volksalmanak van 1868.
  • T.A.Romein. De Hervormde Predikanten van Drente. Groningen 1861.
  • Mr J.Linthorst Homan. Geschiedenis van Drenthe. Assen 1947.
  • id. Het ontstaan van de gemeenten in Drenthe. Haarlem 1934.
  • Mr A. Kleyn. De Drentse dorpen.
  • Dr H.J. Prakke. Drente in Michigan. Een studie over het Drente aandeel in de van Raalte-trek van 1847. Assen 1948.
  • id. Deining in Drente. Assen 1951.
  • J. Poortman. Drente, een Handboek voor het kennen van het Drentse leven in voorbije eeuwen, onder redactie van J. Poortman, Meppel 1951.
  • C.H.Edelman.De Geschriften van Harm Tiesing. Assen 1943.
  • K.van der Kley. Het Drentse Volkskarakter. Heilo 1943.
  • Dr J.P. Kruyt. De Onkerkelijkheid in Nederland. Groningen 1933.
  • H.Tj. Waterbolk. Drenthe. (in Serie "Nederland ons aller tuin". Assen 1952).

 

 


 

Inhoud

  Pag.
Verantwoording 6
Inleiding 8
In 1400 10
De Kerk in Drenthe 11
Het Groller-Holt 12
Uit de Hervormingstijd 16
Omstreeks 1800 18
Drie Pioniers in 1850 22
Het Eerste Succes 26
De School 32
De bouw van de Kerk 35
De Kerkklok 39
De Inwijding en de eerste dominee 40
Toen Grollo 'n eigen kerk gekregen had… 42
De laatste 50 jaar 51
Terugblik 66
Bijlagen A. en B. 74
Naschrift 72
Literatuur-opgave 73

Van dit boekje zijn een beperkt aantal exemplaren, tegen de prijs van f per stuk verkrijgbaar bij de Kerkeraad der Ned. Herv. Gemeente Grollo-Schoonlo.

 


- X - X - X -


 

Toevoeging op 2 september 2021 door Bertus Reinders betreffende preken, gepubliceerd in de Provinciale Drentsche en Asser Courant

De teksten zijn overgenomen en moeten nog worden gecorrigeerd op het moment van publicatie 02-09-2021

 

Bron: PDAC 5 november 1949

VOOR DE ZONDAG

„Als gij waart, zoals ik nu ben, dan..."

In net leven van Paulus komt een moment voor, waarin hij zichzelf aanprijst als eer benijdbaar mens. Misschien kent gij dat wel, dat merkwaardige toneel, als Paulus, de gevangene, staat tegenover de heidense Koning Agrippa. Daar staat dan een gevangen man, die jaren van vervolging en gevaren gekend heeft, die nu in een vestingcel zit opgesloten omdat men hem, politiek gespreken, met helemaal vertrouwt, en tegenover hem zit een vorst, die zich in alle weelde baadt en aan alle luimen en grillen van zijn leven kan toegeven, en dan zegt deze gevangene, deze veel gesmade en achtervolgde, en hij meent dit in volle ernst: „O koning, ik wenste wel, dat gij waart zoals ik ben." Maar bovendien beschikt hij dan ook nog over zoveel nuchtere zin en humor, dat hij er direct aan toevoegt: „behalve dan natuurlijk de boeien, die ik draag."

Hier ligt een geheim. Wat is dat, dat hem zijn gevangenschap zo moedig doet dragen? Het is ook voor ons belangrijk dat te weten, want tot zekere hoogte zijn we allemaal gevangenen, gevangen en gebonden door de banden van het lot, in de kluisters van het leven.

En nu weet menigeen zich los te maken van dat hunkerend verlangen naar een beter lot, en zich te voegen in zijn gevangenschap. Men moet daar tol zekere hoogte respect voor houden. Men glimlacht tegen het lot, her is nu eenmaal niet anders.

Er zijn ook mensen, die een begin van bevrijding hebben gevonden, dat zij zichzelf over het hoofd zijn gaan zien, 7ich van eigen moeilijk lot en leven hebben afgewend toen hun ogen opengingen voor de grote ellende van de duizenden daar buiten hen. Maar het gaat in dat koninklijk gebaar en woord van Paulus toch om iets beters en hogers. Waarom voelde hg zich zo rijk, zo benijdbaar, hij de arme, vergeleken bij die rijke koning?

En nu is er maar één antwoord. Dat kwam, omdat er iets met deze mens was gebeurd, iets ontzaglijks, de grootste omkeer en bevrijding, die een mens beleven kan. Hij is door de ontmoeting met Christus zo'n totaal ander mens geworden, dat hij zich als aan een nieuw begin zag geplaatst. Dit had hem zo sterk gemaakt, zo krachtig en overtuigd, dat niets ter wereld daartegen op kon wegen, geen praal, geen pracht, geen enkel levensgenot. En als je nu zó een mens hoort spreken, zo met volle kracht er. overtuiging, in vastheid van geloof, dat niets ter wereld hem meer schaden kan, dat hij zich zelfs In zijn ketenen nog benijdbaar weet, en heel wat gelukkiger dan die koning op zijn trom, dan zegt men onwillekeurig: „hoe benijdbaar, hoe ontzaglijk groot is: geloof! Welk 'n rijkdom! En wij? Waarom zijn wij zo niet? Waarom durven wij ons leven niet zo overtuigd aanprijzen als benijdbaar? Of zijn wij niet te benijden? Klinkt dat woord, eerlijk gezegd, niet een beetje als spot en hoon? Wij, mensen in deze tijd, benijdbaar ?
Wie durft herhalen: ik wenste, dat gij waart zoals ik ben! Meestal zijn wij geneigd het om te keren en te zeggen: ik wilde, dat ik was zoals hij of zij, want die is er heel wat beter aan toe dan ik. En nu moesten wij kunnen herhalen: ik benijd u niet, ik wilde dat gij mijn rijkdom had. Dat kunnen wij helaas maar heel zelden. Dat kunnen wij niet, omdat ons geestelijk bezit, onze geestelijke rijkdom niet groot genoeg is. Ons geloof in de wereld en haar toekomst, dat is. in Hem, die dat alles leidt, is niet groot genoeg. Wij hebben eigenlijk nog veel te veel andere dingen erbij nodig, om een gelukkig en benijdbaar mens te kunnen zijn. Naast ons geloof nog vele andere dingen, dan kan het pas een beetje gaan. Wij zijn nog zo rijk en gelukkig met veel andere zaken.

Nu kunnen wij onszelf natuurlijk maar niet in eens op één lijn stellen met Paulus, en wij moeten ons aan grote geestelijke woorden niet gaan vertillen.

Wij weten, althans de meesten van ons, waarschijnlijk geen van allen te vertellen van zo grote plotselinge omkeer in ons leven, waarin we ineens Christus als de Eeuwige Waarheid en de Eeuwige Liefde zijn gaan zien. Velen zijn met de boodschap van het Evangelie, met de prediking der Kerk van jongsaf vertrouwd geweest, net behoorde tot de gewone dagelijkse omgeving. Het grote mysterie, het geheimenis sprak riet meer. En toen: het woord „bekering" klinkt ons wellicht te zwaar. Beseffen wij wel, dat toch in een mens iets radicaals moet worden veranderd, gekeerd. Willen wij ons leven en de wereld in vrede en overgave kunnen aanvaarden. Dat is een benijdbaar geluk als een mens is losgemaakt van zijn zelfzuchtig denken, en beseft, dat net gaat om God en Zijn woord en Zijn geest. Daar was een oosters man, een vroom man, een man van wie ik verder niets weet, dan dat hij geloof had. En hij zong het uit in het bekende lied: “De Heer is mijn Herder, mij zal niets ontbreken." Was deze mens niet ontzaglijk rijk! Of is dat geen rijkdom, als een mens zeggen kan: zelfs in het donkere dal, waar schaduwen des doods vallen, zijt Gij O Heer, mijn steun en staf?

Dat is geloof: geloven ook bij het kruis. Het is niet: een zich erbij neerleggen en niets terugzeggen, gelaten en droevig aanvaarden. Maar het betekent dat juist God dan alles voor ons zijn wil, als wij niets meer over hebben. Dat Hij staat achter alle dingen, en bezig is ons veel te doen verliezen, opdat wij in Hem veel zullen terug ontvangen.

Grolloo.   E. van Ruytenberg

 

Bron: PDAC 6 januari 1951

„Daarom – wij versagen niet"

Dit eerste „Voor de Zondag” in 1951 staat begrijpelijkerwijs nog inde sfeer van Nieuwjaarsgedachten, van heil- en zegenwensen, van toekomstoverdenking.

Vandaar dit moedige en bemoedigende woord van Paulus uit de 2e Corinthenbrief (2 Cor. 4 : 16). Want het is niet onder zeer bemoedigende omstandigheden, dat wij 1951 samen zijn aangevangen. Men behoeft geen pessimist te heten om toch wel met zorg de toekomst voor eigen land en volk, voor heel de wereld in te zien, nog daargelaten dat ook de persoonlijke kant van ons leven, reeds bij de aanvang van dit nieuwe jaar misschien met vragen en noden heeft te kampen.

En dus : voor de eerste Zondag een moedig en vertrouwensvol woord, het motto, dat wij hierboven plaatsten. Het is een gedeelte vaneen ontzaglijk bemoedigend en heilig vermanend bijbelwoord.

„Wij versagen niet”, wij zullen de moed niet verliezen. Waarom ? en dan geeft hij dit antwoord : „al geraakt ons uiterlijk wezen van dag tot dag in verval, zo wordt toch ons innerlijk wezen van dag tot dag vernieuwd.”

Deze gedachtengang is alleen mogelijk en te waarderen, als we hem trachten te verstaan onder hoger licht.

„Er is geen reden tot het verliezen van onze moed”, zegt deze sterke gelovige, „want er wordt van dag tot dag iets nieuws in ons opgebouwd”. Dat betekent, dat wij ook in dat nieuwe jaar aan het veranderen zijn, innerlijk veranderen.

Wij blijven niet, die wij waren.

Wij zullen ook uit deze jaarkring anders te voorschijn komen, want ook dit jaar zal ons iets te zeggen hebben, en moeten leren, wie weet hoeveel.

Ons leven kan meer gefundeerd zijn, ons oordeel milder, onze blik ruimer. Oók, al worden wij uiterlijk, door de tijdsomstandigheden minder, misschien armer, misschien lichamelijk zwakker, misschien beroofd van veel, wat wij nu bezitten.

Ons innerlijk leven kan worden opgebouwd, sterker worden, ook in moeilijke tijden. Ja, juist dan, zegt Paulus.

Er zullen allerlei dingen in ons leven fijn geweest, en misschien ook dit jaar o *er ons komen, waarmee we niet direct raad weten. Er zal allerlei te zeggen zijn over menselijke zwakheid en zonde. Maar het Evangelie gaat verder, en zegt, dat ook door de boosheid der mensen het goede kan geboren worden.

Geen enkel menselijke beproeving behoeft ijdel en zinneloos te zijn. Het kan ook anders. Er is Eén, die met Zijn oneindige macht en liefde ons leven omspant, en die ,wat in mensenogen heilloos en mislukt is, kan terecht brengen. Ons leven heeft twee kanten: alles, wat aan de zichtbare zijde van ons leven gebeurt, heeft zijn bestemming voor de onzichtbare kant. Wat zichtbaar lijden is, kan op onzichtbare wonderlijke wijze worden omgezet in zegen.

Maar dit is niet vanzelfsprekend. Het is niet vanzelfsprekend dat een mens zijn innerlijk leven opbouwt van dag tot dag. Want het is ook mogelijk dat alles wat wij ondervinden in dit jaar, aan ons voorbijgaat, ons innerlijk onveranderd laat. Als het leven met zijn zegen en zijn leed ons niet dichter bij God brengt, drijft het ons verder van Hem af.

Zegen : Dien hebben wij elkaar de laatste dagen telkens toegewenst. Dat gaat haast automatisch. Veel heil en zegen ! Wat is zegen ?

Wij brengen zegen altijd in verband met God, en menen dan dat Hij ons zenden zal welvaart, voorspoed en andere voordelen enz. Maar God wil ons maken tot sterke, moedige, dappere mensen, dat Wij, naar het woord van onze tekst, „innerlijk van dag tot dag worden opgebouwd en dat kan niet alleen door de zonneschijn van het leven.

De internationale spanningen van deze tijd kunnen tot ontzaglijke toestanden leiden. Niemand ziet- een „oplossing”. En dit alles kan ons maken tot verbitterde, cynische, harde mensen. Maar het kan ons ook maken tot betere, diepere levens, sterken in ons geloof.

Het is gemakkelijk genoeg om in deze tijden sarcastisch te spreken over Christendom, kerk en geloof.

Waar het op aankomt is hoog te houden, wat God ons heeft toevertrouwd, trouw te zijn aan wat Hij tot ons sprak, aan wat wij Hem beloofden. Er valt nog wel iets te redden in deze vermechaniseerde corrupte wereld. Iets ? Neen, alles, het hoogste, waartoe wij geroepen werden : het kindschap Gods, Gods bemoeienis, Zijn liefde, ons in Christus geopenbaard.

Wij weten niet wat ons wacht in 1951. Van één ding zijn wij zeker : Het is het jaar, waarin God ook ons innerlijk leven sterker wil maken, ons vernieuwen. van dag tot dag.

En „daarom wij versagen niet .

„Vader U zij toegewijd
‘t jaar, dat nu begint.
Waar Gij ons ook binnenleidt,
Waar ’k me ook bevind,
’k vraag niet, dat mij zorg en nood plagen nimmermeer
’k Bid van nu aan tot mijn dood
U alleen zij d’eer !

Groloo    E. van Ruytenberg.

 

Bron: PDAC 13 januari 1951

 

VOOR DE ZONDAG „Hij sprak als machthebbende"
Zó ontzaglijk was de indruk, die Jezus’ woorden op zijn hoorders hadden gemaakt, dat de schrijver van het Mattheus Evangelie, als hij aan het eind van die geweldige boodschap die wijde Bergrede plegen te noemen, wil weergeven wat er onder het volk van die dagen leefde, dit aldus beschrijft: „En het geschiedde, toen Jezus deze woorden had geëindigd, dat de scharen verslagen stonden over zijn onderwerp, want hij sprak als machthebbende en niet als hunne schriftgeleerden”. Het gaat hier om de macht van het woord. Want dan kan er ontzaglijke invloed van uitgaan, een betoverende klank ligt in het woord soms, een heilige gloed en overtuiging, en daar is tegelijk een gevaarlijke macht in de veelheid der woorden. Dit is misschien een van de belangrijkste dingen van ons mens-zijn, dat wijdoor Woorden macht kunnen uitoefenen. En wat voor macht? Er is in het Evangelieverhaal een grote mensenmenigte totaal verbijsterd en verbluft, ontroerd en beschaamd, als met stille bewondering geslagen, als zij die woorden van j'hristus heeft aanaehoord. Zó was ■ nooit tot hen besproken. Zij voelliiv 20 sPreekt, heeft het zedejjii® om zich aldus te uiten, vopiivfu ,als man va» gezag, want zij woordor?61 Wel intu'ïtief aan- dat zijn ziin , 6n *rn zÜn levenshouding, dat '7 _oorden en zijn daden één zijn. var, u een mens inde ban komen het woord, geboeid en gebonden, ë w- v n en ordzet door het woord. Wll beseffen wel, dat er een grote aarheid ligt in wat een Duits denker ens schreef: ~de grote veranderingen n revoluties op deze wereld zijn °°rt door één persoon geleid, de die de grootste lawines op godsdienstig en politiek terrein aan ,et rollen bracht, die macht was ®mds alle eeuwen enkel en alleen de toverkunst van het gesproken woord, ontvlamd door de brandfakkel van het onder de mensen geslingerde Woord. Toch is in onze tijd de waarde v?n het woord sterk gedaald. Die paperen staan niet hoog meer genoeerd. We hebben al te veel mooie, vrome, sierlijke, welsprekende klan-Ken gehoord. Want woorden kunnen goedkoop zijn. Die woorden, die als een onafgebroken stortvloed van de lippen stromen, ze zeggen zo weinig meer, het is alsof de mensen achter een gordijn van woorden eigen leegten van hoofd en hart menen te kunnen bedekken. Och, al die woorden, heel mooi en goed bedoeld, wat bereiken ze eigenlijk nog? Je zoudt geneigd zijn om te vragen: „kunnen We sog wel zwijgen?” Maar van Christus staat dan toch meer, dat hij, naast het zwijgen, kende kracht van het woord. Hij sprak als machthebbende. En uit de kracht Yan dat woord heeft hij de wereld, de mensen bereikt. En nu komt het er alleen op aan te weten, wat hem tot zulk een kracht en macht in staat heeft gesteld. De oplossing van dit geheim ligt in wat hij zelf, ineen andere samenhang, over zichzelf heeft geuit: „De woorden, die ik spreek, spreek ik van mijzelve niet, maarde Vader, die mij gezonden heeft, heeft ze mij gegeven”. Uit de diepe overtuiging, dat Hij een woord van God, een boodschap uit de hemel voor de kinderen der aarde had te brengen, heeft hij zijn predikend werk kunnen volvoeren. Want echter al zijn woorden en getuigenissen groeit niet het verlangen naar eigen eer of macht, maar alleen het dienen van de Vader en het doen van Zijn wil. Wie machtigt ons, wat geeft ons in deze wereld en in dit leven het recht om te zijn, wie we zijn, om te spreken »zoals wij spreKen7,, Alleen dit, dat ■wij als volgelingen van Christus, durven zeggen: ik dien niet mijn eigen zaak; ik kom niet voor mijn eigen eer °f partij, of richting, ik bepleit niet Pj'jn eigen succes, maar ik ben in dienst vaneen heilig ideaal, ik sta met een taak, die God mij heeft opgelogd, en van Hem moet ik in mijn leven getuigen, en moet ik doen, wat ik meen dat Hij van mij vraagt. Wij, volgelingen van Hem, die sprak als machthebbende, wij aanvaarden dan in Zijn naam en geest het leven, en wij geloven inde waarde van het heilige in deze onheilige wereld- Daarom staan wij in deze wereld niet als onverschillige toeschouwers, als futlozen, een beetje benieuwd hoe ’t alles wel zal aflopen, maar wij gevoelen ons gebonden en geroepen door de wil van God. Wij zien deze wereld en ons leven als een stuk van Gods wereld, we zien de worsteling en de strijd, maar we weten in geloof, dat we deel hebben aan de wereld en een leven, dat ver uitgaat boven het zichtbare en tijdelijke. Wij staan ook critisch tegenover de tijden en de stromingen, die ons beroeren. Alles is maar niet goed, omdat mén het goed vindt. Christus maakt ons tot zelfstandige, onafhankelijke mensen. Christus en de moderne wereld zijn twee geheel verschillende grootheden. Hij behoort niet tot hen, die men zo in ’t algemeen spraakgebruik machthebbers noemt- Maar Zijn woord was van Goddelijke kracht en Zijn geest zal eeuwig zijn. Ineen oude bundel zong de jeugd de jeugd van vroeger (of zingt zij het nu nog?) ..Wij bezitten een woord voor de wereld, dat kan redden van zonde en wee, een woord van genade en waarheid, een woord van liefde en vreê.” „Wij bezitten”. Als dat waar is, dan is er iets in ons van Hem, die sprak als machthebbende. Dan hebben wij iets, dat ons vasthoudt inde chaos en de verwarring der tijden. Grollo E. van Ruytenberg

 

Bron: PDAC 1 september 1951

 

 VOOR DE ZONDAG BENIJDBARE MENSEN
„Ik wenste wel, dat gij waart als ik”. Die dat zeggen kan, is meestal ’n benijdbaar mens. Want gewoonlijk staat het andersom. Veel mensen voelen zich, als ze zich bij anderen vergelijken, achteruitgezet, te kort gekomen, en zij denken of zeggen: ik wou, dat ik kon zijn of kon leven als die ander. Het vergelijken zit ons mensen nu eenmaal in ’t bloed, en het is een vru vaste regel, dat we ons eigen leven dan vergelijken met dat vaneen nder, die het ”beter” leeft, of het thans naar onze indruk, wel beter 3 oet hebben. Maar het blijft toch altijd m hachelijke zaak, dat vergelijken. Want wat weet je nu per slot van rev ine van eens anders leven? Wat Kel\ \ van het innerlijk vaneen anmens’ Als het er °P aan komt, ’n bedroefd beetje. En toch zeggen we alsof het de eenvoudigdste zaak “al Ae wereld was: ik zou best met , “ willen ruilen! Of wij ons inde bemidbaarhei<1> en ln het geluk vaneen " der noga! eens vergissen kunnen...? Wanneer is een mens eigenlijk te beniiden, wanneer is een mens eigenlijk te bekla£en? Er lig4 voor memS ontevreden, onbevredigd en teleurgesteld mens een diepe wtjsbe'd en een ernstige les, in die episode uit het Nieuwe Testament, vvaarin twee mensen op wonderlijke en ongedachte wijze tegenover elkaar zijn bomen te staan. Koning Agrippa, een Joods koning, die naast het oppertoezicht van de Romeinse stadhouder niet veel te zeggen heeft, maar die toch de koningstitel en een zeer klein grondgebied heeft mogen behouden, en tegenover hem ’n gevangene, de tot het Christendom bekeerde fanatieke Paulus. En deze man, die in ketens geboeid staat tegenover een vreemde machthebber die op de koningstroon zetelt, spreekt dat onbegrijpelijke, haast uitdagende woord: o koning, ik wenste wel, dat gij waart als ik.” Wonderlijk is dit. Een gevangen mens, die jaren van achtervolging, ontbering, smaad en miskenning heeft gekend, en die, omdat men hem eigenlijk niet helemaal vertrouwt, dooreen wispelturige stadhouder voor alle zekerheid inde gevangenis in bewaring zit, zegt tot een koning, die aan alle luimen en grillen van zijn leven kan toegeven, die zich ln weelde baadt: „Gij mocht willen, dat gij waart als ik”, en dan beschikt hg tevens nog over zoveel nuchtere zin en humor, dat hij er direct aan toevoegt: „Natuurlijk behalve dan de boelen, die ik draag”. Er is dus iets, dat hem zijn gevangenschap heel moedig doet dragen. Het is ook voor de moderne mens van deze dagen belangrijk dat te weten, want tot zekere hoogte zijn we allemaal gevangenen van het leven. Maar deze mens heeft de bevrijding gevonden hij is ’n „ander” mens geworden, sinds Christus op zijn levensweg verscheen. Dat had hem zo sterk gemaakt, zo bestand, innerlijk bestand teo-en allerlei bezwaren en gevaren, en gewapend en veilig, dat niets ter wereld daar ooit tegenop kon wegen. Als ie zo een mens hoort spreken, zo met volle kracht en overtuiging in vastheid van levend geloof, dat niets ter wereld hem meer schaden kan, dat hij VC ziin ketenen nog benijdbaar voelt en heel wat gelukkiger dan een vo . t-roon dan zeg je toch konmg op zUn roon’zelf. hoe benijdonwillekeung bij 1 de Jjn » U e„n *- “Tg heb helemaal „W er tegenwoordig veel hen die sen rondlopen. Ook met ®nd Ziin ook Christus hebben ontrnoe naam welbewust wilden drage • hoor veel klagen, en ik zie veel achtigheid en angst voor de home tijden. Is het ook zo, dat wij als cnnstenen, als „gelovige” mensen (als u dat woord aandurft!) heel wat dingen er bij nodig hebben om een gelukkig benijdbaar mens te zijn. Naast ons innerlijk geestelijk bezit, nog vele andere goede gaven, eer er sprake kan zijn vaneen enigszins tevreden en gelukkig leven. Nu kunnen wij ons zelve maar zo niet op een lijn stellen met Paulus. Natuurlijk niet, en wij moeen oppassen, dat we ons aan grote geestelijke woorden en gedachten niet gaan vertillen. Maar toch, als de mens, onder welke omstandigheden dan ook, is losgemaakt van zijn zelfzuchtig denken, en beseffen ging, dat het gaat om Gods wil, om Gods leiding en Christus geest met hem zelf en met de wereld, dan is er geestelijk geluk gegroeid, dat benijdbaar is. Want het is meer dan welke stoffelijke rijkdom «ok. Of is dit geen onvergelijkelijk hoog bezit, als een mens het die Oosterse zanger kan nazeggen, zij het dan misschien in wat andere vorm: De Heer is mijn herder – zelfs in het donkere dal van de schaduwen des doods is Hij mijn steun en staf! Grolloo. E. van Ruytenberg

 

Bron: PDAC 8 september 1951

 

VOOR DE ZONDAG DE GROTE WENDING „totdat ik inging in Gods heiligdom” Psalm
Er is in ieder mensenleven een „totdat”. En met dat éne woord wordt soms een keerpunt, een beslissing, een ontzaglijke wending aangeduid. „Ik was een mens van groot geluk, het liep mij alles mee, ik kende geen zorgen, ik had een onafhankelijk bestaan, mijn geluk leek onaantastbaar voor welk noodlot ook, totdat...... die ziekte kwam, die zorg om mijn kind, die crisis in mijn bedrijf en ik ging begrijpen, dat mijn geluk en voorspoed verdwenen waren . Er zijn heel wat levens, die met deze kunnen worden beschreven Och, je kunt er net zo zorgeloos op los leven, als je wilt, totdat de dag komt, dat het misloopt. Het leven is mooi is aantrekkelijk, is bekoorlijk, totdat de ziekte komt, en de ouderdom, en de dood, di'» aan alles een einde maaKt. Profiteer dus maar van het leven, zo lang ge kunt, totdat „het andere komt. De grote wending is er a«Ufi. in ieders leven. En dit maakt mcnsen tot sombere, cynische, sceptische, pessimistische wezens, zo gaan er duizenden door de wereld en het teven- alleen je mergt dat zo met, want we dragen allemaal een masker (wat hebben de mensen ook met ons innerlijk leven te maken!) en we zijn geboren comediespelers We verstaan de kunst van ons „groot te houden Maar er is ook een ander „totdat . Dat kan zijn het heilige keerpunt in een mensenleven. Dat is de andere wending. Dat is het ogenblik, dat die mens heeft gekend, uit wiens leven hierboven een enkel citaat staat aangehaald. Deze onbekende dichter voelde heel sterk de onbevredigdheid van het leven, en hij kwam innerliik m opstand tegen de tegenstrijdigheden en de onbillijkheden in het leven van vele mensen. . z«n- 20 voelt hij het sterk, is het lot dragen vaneen teleurgestelde, een bedrogene. We bereiken niet waarnaar ons hart uitging en we krijgen, wat we niet hadden bedoeld. Het is nog altijd ietwat tragisch te ?le” hoeveel goede bedoelingen niet hebben gebaat, hoeveel schone voornemens nooit tot uitvoering zijn kunhfn komen. De hele wereld lijkt soms oen grote vergissing. Het gaat er zo wonderlijk toe, en je denkt onwillekeurig aan al die mensen, die je kent en die zo helemaal niet op de plaats zijn gekomen, waar zij geknipt voor schèhëh, mensen, die zo’n bijzondere aanleg hadden, en ze kwamen terecht in ’n werkkring, die hen feitelijk helemaal niet lag; mensen, die zo helemaal „niet tot hun recht zijn gekomen”, zoals we dat plegen te noemen. Zo is er in het lied, waaruit het motto van deze overdenking is genomen, een dichter aan het woord, die in opstand is gekomen tegen al dit schijnbare onrecht. Hij is een gelovig mens, hij tracht met God te leven. Maar hij ziet, dat rijkdom gepaard gaat met laagheid van ziel, dat de mens, die zich om geen God of gebod bekommert, het vaak het verste brengt in de wereld. Zelf heeft hij getracht met een eerlijk en r – geweten voor God te staan. En wat heeft het gebaat? De zorgen en het 1 d kwamen dagelijks terug. Die man heeft gevraagd, wat wij uilen ons zelf ook wel eens op een dag hebben af gevraagd: waarvoor leven wij, mensen, nu eigenlijk? Is het wonder, dat een mens wel eens wat jaloers is op de voor zijn gevoel ongemotiveerde voorspoed van anderen? De dichter vond een antwoord. Of eigenlijk nee: hij vond geen antwoord. Maar hij kwam wel tot diepere gedachten. Het werd beter, rustiger, stiller, vrediger in hem, toen hij in Gods heiligdom binnenging, toen Eeuwigheidslicht hem omscheen, toen een stem hem bereikte, Die als uit de hemel nederdaalde. Hoe dit ging: Dat kan alleen verstaan worden, alls we weten wat een „heiligdom” is. Er zijn, als in des dichters tijd, nog altijd veel heiligdommen. Maar velen gaan er aan voorbij. Het zijn niet alléén de kerken, en de tempels en de bedehuizen. Het zijnde heilige plaatsen, de heilige tijden, de heilige uren, die ook stille woonkamers, ziekbedden, gevangeniscellen, schoollokalen en fabriekshallen tot een heiligdom’ kunnen maken. Het zijnde ogenblikken, waarin de mens als de afgedwaalde zoon in Lucas 15 „tot zich zelf komt”, zijn eigen hulpeloosheid en afdwalingen beseft, maar tevens nog de moed heeft om te gaan tot een Vader, in wiens liefde en ontferming hij ondanks alles blijft geloven. Het heiligdom is een stil-zijn voor God, zodat Zijn licht valt over ons kleine leven. En nu bedoelt dit alles niet te zeggen: dan zijn alle vragen opgelost, dan verstaat ge geheel de zin van het leven. Ik geloof, dat het vreselijk zou zijn, als we alles wisten en alles- begrepen, als het Mysterie niet meer bestond. Maar ingaan in het heiligdom is ook niet op elke vraag een antwoord krijgen, is ook niet een betoog of redenering aanhoren, maai is het luisteren naar de naam, waarmee de Eeuwige ons riep, re horen het geluid van de Boodschap, die ons omhoog voert uit de aardse beuzelingert. „Totdat”, dat is de grote wending, de moed weer te vinden, knielen op de drempel van het heiligdom, ontroerd en gesterkt door de nabijheid van Hem die nog altijd het wonder in ieders leven voltrekt: de zwakke mens Koningskind, Gods kind. Grolioo, E. van Ruytenberg.

 

Bron: PDAC 15 september 1951

 

VOOR DE ZONDAG RELIGIE EN KUNST
Er zijn altijd mensen geweest, en misschien zullen zij er nog zijn, die in de kunst een gevaar voor de godsdienst zien, en omgekeerd zijn er die menen, dat alle religieus gevoel aan de kunst vreemd zou zijn, en die a priori menen het godsdienstige te moeten veroordelen. Is dit inderdaad de ware houding, die beiden moeten aannemen? De een verkiezen ten koste van de ander? Vijandige machten, die ell nder verteren, als hun vlammen oplaaien ? Of, ziin het grootheden die juist °™”at z(j zoveel gemeenschappelijks he ern bestemd'zijn elkaar aan te. vu en . Kunnen het misschien ook zijnde oplaaiende vlammen, bedoeld elkander te voeden met hun gloed? Wanneer wij religie en kunst m harmonie willen zien samengaan. danl valt te bedenken, dat zij beide zich te bezinnen hebben op -het doel, dat zij dienen op de oorsprong, waaruit zij stampmm Het doel! Dat liikt iets gevaarlijks voor de kunst. Want nu denkt iemand allicht: dus dan wilt ge tendentieuze kunst. Maar dat is immers in wezen in strijd met de kunstzelve. De kunst is niet kunst terzake van wat anders De artistieke schepping moet gerechtvaardigd worden door haar eicen kwaliteiten. Een gedicht. bijvoorbeeld, wordt niet door zün stichtelijke of zedelijke bedoelingen zomaar een goed kunstwerk. Het kunstweck moet uiting zijn van de geest. En de vraag, die ge er aan kunt stellen, luidt: Wat is er in die geest aan weeheid en religie? Dient hij de goddelijke schoonheid, wil hij de harmonie die alomvattend is, voelt ge er de harteklop in van de liefde, die ineen genadeloze buitenwereld uiet ontferming wil zijn; he?ri„ sampr,kopnel ing van de beide begrippen tot: religieuze kunst is naar ik meen, een onlossing die öf veel te eenzijdig is öf overbodig is geworden. Want als religieuze kunst alleen zou zijnde kunst, die een onderwerp uiteen of andere religie tot haar object koos, waar blijven we dan met al het andere? Want het gaat niet om de uiting of de voorstelling, maar om het wezen van het kunstwerk. En dan is in wezen alle kunst religieus, omdat zij als levensbelijde. °Penbaring is van het goddelijke m mens en wereld. Zo wordt de kunst, evenals de gehele cultuur trouwens, verdieping en verlevendiging van Gods heerlijkheid. Als God het niet beneden Zich heeft geacht een wereld te scheppen, die vatbaar is voor zo’n rijke cultuur, dan behoeft de mens waarlijk niet angstvallig en eenzijdig de schoonheid in die schepning te vermijden of te bestraden. Voor ons gevoel is bij vele christenen nog altijd een zekere hang om vooral relegie en kunst. Christendom en cultuur op behoorlijke afstand van elkander te houden. En er wordt soms nog zo weinig beseft, dat allerlei scheppingen van kunst, ontdekkingen van wetenschap uitdrukking zijn van zoveel geduld, toewijding en naastenliefde, en daarom voorbeeld van de wijze, waarop God de mens op de schepning, en de schepping op de mens heeft aangelegd. Want de natuur is door de scheppende geest uit het chaotische tot een kosmos gevormd, en kosmos betekent: kunstwerk, het werk inde geest van Hem, die naar het apostolische woord ..Bouwmeester en Kun stenaar” is. Ineen bekend museum in Florence hangt de schilderij van de vrome Italiaanse schilder en monnik Fra Bartolomeo. Het stelt een „Christus met de doornenkroon” voor. Onder aan dit schilderij heeft de kunstenaar deze wens tot de beschouwers van ziin schilderstuk geplaatst: „Ora pro pictore”, d.i. „Bidt voor de schilder.” Hier wordt geen christendom door de kunst vernietigd, en geen schoonheid in naam der kerk verdoemd en verbrand. Hier is een waarachtige uiting van de harmonische eenheid, die in Gods wijde wereld te beleven valt, als inde geest de kunstenaar zijn geloof uitspreekt, als door de ontroering van de kunstenaarsziel het verheven- ':one de mens kan wijden tot een gebed. Opdat wij, naar een mooi woord van wijlen professor Vander Leeuw, „de knie niet buigen voor de Baal van eigen gemaakt christendom of eigen gemaakte kunst, maar opdat wij weten te knielen voor God, overal en altijd.” Grolloo. Evan Ruytenberg.

 

Bron: PDAC 22 september 1951

 

VOOR DE ZONDAG VLAANDEREN
Een vacantieherinnering. Een herinnering aan veel vyijdin'svolle schoonheid. Het oude Vlaanderen, wie het eenmaal gekend heeft, blijft het in liefde gedenken. Het oude land met zijn prachtige kathedralen en kapelletjes, zijn kastelen en zijn Begijnhovekens, het land, waar oude stadjes dromen aan de voet van hoge kerktorens en slanke belforts. Het oude Vlaanderen ïs nog rijk aan juwelen van middeleeuwse grootheid, en nerr ens onderga ik de schoonheid van dat oude land dieper en gewijder dan in Brugge. Brugge, eigenlijk het zuiverste en schoonste museum van die kostbare middeleeuwse kuns ■. Het is misschien heel inconsequent om juist Brugge te kiezen. Maar van het driestedental: Antwerpen, Gent en Brugge, heet Antwerpen met voor niets „de Weelderige” en Gent „De Dappere” en Brugge „die Schoone , de hoogste en liefelijkste van deze trits. Een geestig man heeft eens gezegd: „In Zwitserland spreekt de natuur in grootsheid, maarde gebouwen zijn stom, dat is mij niet genoeg. In Rome vertellen èn de mensen en de gebouwen de geschiedenis van heel de wereld. Dat is mij te veel. In Madrid spreken alleen de mensen, maarde kerken en paleizen zeggen u niets over de grote gebeurtenissen die zich daar hebben afgespeeld. Dat is te weinig. In Vlaanderen, waar alles zwijgt, spreekt de stilte der natuur, de stilte der gebouwen, de stilte van mensen en dingen een zachte taal tot hart en zinnen van ieder, die luisteren wil.” . Brugge, ik ken geen stad of stadje h* mijn eigen land, dat ik daarmee wJ, VeFeelijken. Brugge is niet al-3iQI kerken en kapelletjes, het is „ ■“T ,een °ud heiligdom, als een gewijde kathedraal, waarover de stilte ligt gespreid, waar rust en devotie heersen op haar stille pleinen, langs haar oude groene Reyen in haar vergeten hoekjes. Het is eigenlijk niet te beschrijven, het is alleen om er telkens weer naar terug te keren, pelgrimsoord, voor wie hier eenmaal de stilte, schoonheid en mystiek hebben ervaren. Het silhouet van de stad wordt beheerst door de drie grootse torens, waarvan Urbain van de Voorde zong: „O stede der drie torens, die uw vaan laat wieg’len in dal van vrêe, te voet der glooiing van den tijd, die even in uw Reye laat zijn voorhoofd spieg’len, gTiebt inde schaüw der jaren uw eeuwigheid gevlijd”. Treedt eens nader tot die oude Lieve Vrouwekerk, staat stil op dat rustige, vredige kerkpleintjé, dat nog door de geest der middeleeuwen schijnt omvangen. Het zou u niet verwonderen als ge op dit stille pleintje inde schaduw van het hoge koor, daar tussen de oude olmenbomen, waarheen eender karakteristieke bruggetjes, die heel de stad zo typeren, toegang geeft, het zou u niet verwonderen, zeg ik, als ge opeens hier de figuur van ridder of edelvrouwe, een priester of getabberde monnik zaagt verschijnen. Treedt deze kathedraal eens binnen. In het stille uur valt het avondlicht van daarbuiten, uit de ontzaglijke hoogte door de slanke kerkramen, waarin gedaanten van heiligen als uit alle kleuren der regenboog zijn samengevloeid. Afbeeldingen uit Christus’ leven, de aanbidding der koningen, het Laatste Oordeel, zij dienen in diepe kleurenfonkeling tot meerdere luister, en als de late zonnestralen de kleurmozaïeken doen vlammen, dan is het alsof heel die grootse wijde ruimte nog eens voor het laatst glorieert ineen licht van bovenaardse schoonheid. En onze ziel. bidt mede de woorden van dien vromen pnesterzanger, Guido Gezelle, zoon van deze zelfde oude stad, als hij zingt: „Aleer het licht ten avond raakt, O Schepper aller dingen, waakt en zorgt voor ons, die al de tijd WIJ bid'den q barmhertig zijt!” Ga langs die eeuwenoude sierlijk gebeeldhouwde deuren in St. Jans Hospitaal, met welk een liefde en toewijding is dit alles bewerkt, en och, maar enkele schreden verder gaat ge overeen brug dat Stille Begynhof, met zijn witte huisjes als een oud kloosterhof je, binnen, ’t Is alles hier zo oud, zo stil, zo verheven. Wat is het goed hier even rustig te toeven, even buiten die rumoerige lawaaiige brutale wereld, waarin wij dagelijks verkeren. Vlaanderen, het oude, het verhevene, het stille, is als een oase inde woestijn van veel strijd en rumoer. Hier zong en bad de priesterdichter: „Laat illes zijn voorbij, gedaan, verleden, dat afscheidt tussen ons en diepe kloven spant. Laat morsen, avond, al dat heen moet, henentreden. Laat Uw oneindig Licht mij zien in ’t Vaderland”. Grollo E. van Ruytenberg

 

Bron: PDAC 29 september 1951

 

OOR DE ZONDAG DE VREUGDE VAN HET LEVEN „Als bedroefd, maar altijd blijde”
Van de Vlaamse schilder Pieter Breughel zijn veel schilderijen bekend, die een boerenbruiloft, een kermis of een of ander volksfeest voorstellen. Bij Breughel zijn altijd veel pretmakende mensen te zien. Hossende, dansende, drinkende mensen. En toch had deze grote kunstenaar uit de 16e eeuw wel degelijk oog voor de andere zijde van het leven. Want te midden van die pretmakende, dolle mensenmenigte, zet hij een doodskop of een galg op zijn doeken. En nog merkwaardiger is misschien de opmerking vaneen goed kenner van deze kunstenaar, dat er op al die schilderijen, bij al die pretmakende mensgn nooit één staat afgebeeldt die waarlijk lacht! Dat betekent, dat Breughel goed uit zijn ogen heeft gekeken, en zijn tijdgenoten heeft willen doen inzien, hoe wrang, hoe vreugdeloos het pretmaken is van de zogenaamd vrolijke feestvierende menigte. Er is veel lawaai en rumoer, dansen en springen, maarde lach is weg. Er is veel afleiding nodig, om het andere, het donkere te vergeten. Het is net als op die schilderijen van Pieter Breughel: er staat ergens een galg, er ligt een doodskop, maar om de hevigheid van de dood te vergeten, om de „ernst” van het leven maar liever wat uit de weg te blijven, gaan we hossen en dansen en pretmaken. Want de vrolijkheid is voor ons altijd de tegenpool van de zorg en de droefenis. Het leven is somber, is droevig, is hard, en een enkele keer moet je dat dan maar eens wat „vergeten”, net doen of het zo erg niet is, en dan moet je, wat de mensen noemen, eens een „vrolijke avond” of „een goed diner” hebben, waarna je weer inde misère terug komt De „vrolijkheid” die men nog meent te kennen, is een beetje surrogaat. Het is het schepje suiker of de bonbon na de lepel wonderolie: je raakt dan even de vuile smaak van het leven kwijt. Er is niet veel vreugde inde wereld, er zijn niet veel lachende mensen. Maar daar zijnde tijden immers niet naar. Wij leven niet meer als de kleine kinderen in het paradijs der naïeve onschuld, wij hebben gegeten van de boom der kennis, en wij zijn zorgende, tobbende, bezorgde mensen geworden. De blijdschap is gevloden, en de vreugde is onmogelijk geworden. Het leven is te hard en te tragisch dan dat er nog een blijvende plaats zou zijn voor de gulle lach en de stralende'heerlijkheid der vreugde! Nu ja als er een „feestje” is, en dan moet Ie je zelf nog „opschroeven ook, om wat men noemt „inde stemming komen.” Dat is de levenshouding van veel mensen, en die is ’-~grijpenjk, omdat men de bron van de ware vreugde niet meer kent. Men is de band kwijt met de eeuwige achtergrond van alle leven. Er is geen contact meer met de Eeuwige Schepper aller dingen. Men is de wijde blik op _God en Zijn eeuwigheid, op de ruimte van Zijn liefde, op Zijn onbegrensde mogelijkheden kwijt. Wij leven niet meer als kinderen in het huis des Va. ’dèrs maar als ballingen ineen vijanrii? land dat „leven” heet. W(j hebben het 70 druk over al wat het leven ons Ïl-eid of ontnam, dat wij geen oog ontme.u, t g geschonken feer hebben voor w behoudftn hleef. W?rd, en wat ons zijnen v66r Christus bemoedigde sterke zijn heengaan, met t zal profetische woord. Uw zaj ■tot blijdschap worden, zich verblijden en zalJ-_ blijdschap van u r en. In . _ geli# kom je telkens dat woo P van de blijdschap, die vervuld worm. En als je in Paulus’ brieven leest, altijd weer: die volle sterke blijdschap.- toon! (En Paulus had nu niet bepaald zo’n succesvol, „geslaagd” en voorspoedig leven). Bedroefd en nochtans blijde ziin! Wij zeggen: je bent óf bedroefd óf blij. Vandaag ben je heel vrolijk en morgen zit je inde Wt Maar het wezen van de hoogste bodschap, die Paulus bedoelt, is een geestelijke kracht, een innerlijke vrede des harten, een vol zijn van de goede rrke dingen die God ons schenkt, zodat ook inde droefenis en het de mens die veerkracht, blijnnoedighed tot aanvaarden kent. die teke j vaneen groot innerlijk bezit-De vreugde van het leven! Je durft dat woord hadst niet noemen, w de mensen denken direct, dat je e erg oppervlakkig mens bent, en nier erg diep en fijngevoelig bent. Of zo weinig levenswiisheid kent, dat je de diente van het leed niet leerde peilen. En tóch, als er iets echts is in ons geloof, dan kan de vreugde geen onbekende grootheid zijn. Maar als je alles in je leven als vanzelfsprekend aanvaardt, als er niets meer is, waar je voor danken kunt, hoe zul je dan 'ook een blij mens kunnen zijn. Want alleen wie weet wat de gave is, die hij ontvangt, alleen wie weet, dat niets zijn eigen werk is, maar alles uit Gods genade komt, wie knielt en ontvangt in ootmoedige handen, alleen die kan blijde zijn tot aan de juichende jubel toe. Ineen veelgezongen jeugdbed komen deze regels voor: „De vreugd’ is kern der dagen. Die blijft als alles vlood: Wanneer w’ons zelf maar wagen, al ware ’t ook inde dood.” Ik zou niet graag beweren dat de diepe zin en de grootse waarheid van deze woorden altijd even diep worden beseft, wanneer jonge mensen dit lied zingen. En toch zingen we het graag, omdat we intuïtief voelen, dat hier de waarheid van het evangelie ligt. . . Nog één kenmerk wil ik noemen, als ik nog even aan Breughels schilderijen terugdenk: er zijn pretmakende mensen, er staat een galg, maar er is ook een prachtig landschap, dat zich tot in wijde verte om die dansende mensen heen uitspreidt, een landschap, dat als aan een schilderij van het paradijs herinnert, zo rein en zo schoon. In iéders leven staat ergens het leed, de schuld, de zonde, dreigt de dood. Maar er ligt ook om onze levens heen het wijde landschap, een wijde verte, die uitzicht biedt. „Verblijdt u, dat uwe namen staan geschreven inde hemelen” zegt Chris tus. Weest dan niet bevreesd. Maar verblijdt u! Grolloo, ' E. van Ruytenberg.

 

Bron: PDAC 8 maart 1952

 

VOOR DE ZONDAG Ben ik het, Heer?
Zonder enige voorbereiding, zonder dat iemand daar ooit iets van had voorvoeld, klinkt aan de avondmaalsdis inde opperzaal, waar Jezus, „als het avond geworden, was, aanzat met de twaalve," dat vreselijke woord, dat als een donderslag valt te midden van de zwijgende wachtende jongeren: j,Eén van u zal mij verraden.” Dodelijke stilte, één moment slechts. En dan de reactie, hoor die reactie van de twijfelende, verslagen, mismoedige mensen, die hun Meester omringen, die er niets van begrijpen, die niet weten op wie die felle aanklacht is gericht, en die nu als uit één mond roepen: „Ben ik het, Heer?” Niemand, die in verontwaardiging oprijst en dit verwijt als een ongehoorde beschuldiging ver van zich zelf en van de anderen werpt. Wonderlijk, deze uitroep. Niemand ook, die er een ander op aankijkt en denkt: o, dat moet wel op hém slaan. Alleen maar die éne vraag, die bijna als een zielkundig probleem is: Heer, bedoelt Gij mij ? Deze vraag, die in wezen getuigt vaneen ontzaglijke zelfkennis! De zielkundige ondergrond van deze vreemde houding is niet zo eenvoudig te benaderen. Hier komen menselijke noden en zonden naar voren, die vaak voor de buitenwereld verborgen blijven. Deze vraag lijkt volkomen dwaas, onlogisch, en tóch Welk ’n blik in mensenharten wordt hier onthuld: niemand, die er zich te goed voor acht om „verrader” te zijn, niemand eigenlijk, die zich zelf helemaal vertrouwt. ledereen dus in staat om dat afschuwelijke te doen. Hier breekt uit deze mensenzielen een zekere twijfel los aan zich zelve, twijfel aan het beste dat in mensenharten leven kan: liefde, trouw, geloof. Wij zijn zo weinig zeker van ons zelf, en daarom zo zwak. Inde mensenwereld gelden wij misschien voor heel wat. Zo’n Petrus en zo’n Jacobus waren heus wel mensen van zeer bepaalde kwaliteiten, zeker wel wat je noemt: karakters. En tóch! Wat is een mens eigenlijk waard? En het is daar naast toch wel heel belangrijk in deze houding der jongeren, dat zij zó’n volstrekte eerbied hebben voor Christus en Zijn woord, zich zo volkomen onderwerpen aan Zijn persoon, dat niemand er aan denkt op dit geweldig moment aan Zijn woord te twijfelen. En al heeft Hij op dit ogenblik slechts één bepaalde mens op het oog, hij denkt over de trouw en de aanhankelijkheid der anderen ook zo hoog niet. Zij zullen inde. ure van gevaar en vernedering Hem allen verlaten. „Ben ik het, Heer?” Uit de moedeloze vertwijfelende mensheid klinkt die vraag nog steeds omhoog. Als wij ons even realiseren, hoe het nü is: Christus staande in deze wereld, omringd door de zijnen, door de duizenden, die zich naar Hem noemen, en daar is nog steeds de trouweloosheid, het verraad aan Zijn beginselen, liefdeloosheid, gebrek aan moed en vertrouwen, verbittering, haat, afstomping. Dat woord, aan de avondmaalsdis gesproken, heeft zijn vreselijke actualiteit behouden. Want zó is het: wij laten Hem telkens los. Wij durven het niet met Hem wagen inde beslissende dingen van het leven. Wij verwachten het van velerlei krachten en machten in deze wereld. Wij rekenen met andere grootheden en mogelijkheden, dan die Hij ons bracnt. Wij hebben nog altijd erg veel op met al die middelen, die de wereld als medicijn aanprijst, om aan onze armoede en angsten te ontkomen. In het Johannes-Evangelie wordt Hij vergeleken met een lam. Maar wat is de waarde vaneen lam! terwijl de wereld en deze tijd roepen om ijzersterke mannen, geweldenaars, die, zoals dat heet, het "hoofd kunnen bieden aan al die diplomatieke en militaire bedreigingen, waarmee ons geslacht heeft te kampen. De leus van deze tijd is, dat je de hele inzet van je leven moet geven, alles inde waagschaal stellen. Welnu, dat heeft deze Christus, dit „Lam Gods” gedaan. Hij durfde eenzaam leven en eenzaam sterven. Hij kon Zijn leven geven, wetende dat Hij door Zijn dood Zijn Gemeente zou leiden, tot inde eeuwigheid. Als ih Bachs Mattheus-Passion de angstige jongerenkring uitroept, het tot elfmaal uitroept ineen klein koor van intense spanning: Heer, ben ik het? legt de componist in onmiddellijk 'aansluitend koraal de gelovigen van alle tijden inde mond: „Ik ben ’t, ik moest dit boeten." Er is ineen mensenleven al wel heel wat gebeurd, S. hh tot deze zelfontdekking is gek men. Maar boven leze zelfkennis riist dan het Evangelie. jDat is de goddelijke Liefde en _de Erbarming. Hij heeft de -J gehad tot he.t einde. , h Grolloo. E. van Ruytenberg

 

Bron: PDAC 9 mei 1952

 

VOOR DE ZONDAG Meimaand-Blijmaand
„Hoe zal ik de Heer vergelden al Zijne weldaden jegens mij?” Ps. 116 : 12.
Dat zingen onze kinderen op 9e Zondagsscholen in deze weken, en dat zingen ze graag: „Meimaand—Blijmaand, God geeft ons de Meimaand, o vergeet Zijn goedheid niet!” Mensen kunnen als kinderen zijn, en ook voor hen geldt dat woord: o vergeet Zijn goedheid niet. Meimaand is voor veel mensen de Herdenkingsmaand. Het is inde eerste plaats de maand van de officiële Herdenkingsdagen, 4 Mei, 5 Mei, 10 Mei, voor heel een volk. We zeggen tot elkaar: Waar blijft de tijd! alweer 13 jaar geleden is het morgen, wij waren, zonder dat we het wisten, in oorlog. Vijf lange, bange'jaren heeft die oorlog ons land geteisterd, het werd geplunderd, leeggestolen, uitgehongerd. Duizenden onschuldigen zagen wij naar gaskamers en concentratiekampen, ten dode gedoemd, uit onze rijen verdwijnen. Dat zijn voor velen moeilijke herdenkingsdagen. Bloemen worden neergelegd bij de beelden, de monumenten, die hun nagedachtenis in ere willen houden, lest we forget!Er is een geslacht aan het opgroeien, dat van deze dingen uit persoonlijke belevenis niets afweet. Ouderen spreken daar niet veel meer over. Och, een mens vergeet zo gauw. Sommige mensen menen, dat je die oude dingen maar niet ophalen moet. Maar er is een vergeten, dat ook een aanklacht zijn kan. Dat wat God ons in die oorlogsjaren ontnam, maar ook wat Hij ons schonk, moet dat dan maar vergeten worden? Ons volk dreigt zijn 4e en 5e Meiherdenking niet meer te kunnen vasthouden, althans in sommige kringen. Men vergeet maar liever. Meimaand is voor veel mensen, geheel los van het wereldgebeuren, herdenkingsmaand. De kolommen van de advertentiepagina’s in onze dagbladen zijn gevuld in deze weken met huwelijksjubilea. 25 jaar, 35 jaar, 40 jaar, 50 jaar! Zo lange jaren hebben zij samen geleefd, gewerkt, samen zich ingespannen voor elkaar, voor de kinderen. Wat al offers moesten gebracht, wat veel leed moest doorstreden, welk een zegeningen genoten worden. Ja, er is wel overvloedig reden tot Ja, tot wat eigenlijk? Feestvieren, bruiloft houden, een gezellig samenzijn in wijde of meer intieme kring! .Meimaand—Blijmaand. Jawel. Maar hoe is die feestelijke stemming en die gezellige bruiloft? Ineen bekend oudejaarslied zingen wij: „Als w’ inde geest al ’t heil verzaam’len, dat Ge in één enkel jaar ons schenkt, dan buigen we ons in ’t stof en staam’len: Wie zijn wij, Heer, dat Ge ons gedenkt!” Al ’t heil van éen jaar, ja, dat ts ontelbaar, maar van vijf en twintig, en veertig, en vijftig jaar dan! Inde 116e Psalm is een dichter aan het woord die ook op een bepaalde periode van zijn leven terug ziet; hij heeft veel benauwenissen gekend, een zwaar en moeilijk leven heeft hij achter de rug, maar hij is een „bevrijd” mens geworden, hij is verlost, hij heeft Gods reddende hand gekend, hij weet vaneen oneindige goddelijke ontferming, en nu op dit alles terugziende, klinkt zijn lied der dankbaarheid: „Hoe zal ik de Heer vergelden al Zijne weldaden jegens mij?” Dit is de eeuwige waarachtige herdenking, die zin heeft, op welke herdenkingsdag van ons leven ook, dag vol weemoedig terugzien, dag vol blijde herinnering: het moet een herdenken zijn van dat wat God deed en was in ons hart, in ons persoonlijk leven, in ons huwelijk, in ons volksbestaan. Dan kan ook de Meimaand in diepere zin een Blijmaand zijn. Grolloo. E. van Ruytenberg

 

Bron: PDAC 7 mei 1955

 

VOOR DE ZONDAG „Hij, die u roept, is getrouw”
1 Thess. 5 : 24
Paulus vindt „roeping” niet het voorrecht en de bestemming van enkele uitverkorenen, van speciaal begaafde en bezielde mensen. Zo wordt dit nog wel eens in het gewone leven bekeken. Paulus ziet het anders. Roeping is een zich aangesproken weten dooreen, die roept, heel persoonlijk roept, en het recht heeft om u en mij te roepen, omdat hij, en hij alleen dit zó wil. En dat kan God alleen. Wij hebben een taak, ’n verantwoordelijkheid, die ons niet toevallig inde handen is gelegd. God wilde het zo. Dat is voor de huisvrouw en voor de kantoorbediende, voor de boer en voor de fabrikant, voor de pakhuisknecht en voor de onderwijzer, voor de veenarbeider en voor de dominee, voor allen gelijkelijk waar. Wij staan in heilige dienst. Want Hij die de macht heeft en recht heeft op ons leven beslag te leggen, Hij zond ons in dit leven, en in deze wereld, in deze tijd. Niemand zal uiteindelijk volledige rust vinden, eer hij zich bewust is van die Roepstem. Wat roept die Stem? Hij zegt: het leven is niet de mislukking, is niet de nederlaag, niet de waanzin. Maar het leven is heilig. Het leven heeft zin, ook al hebt ge vele slagen ontvangen, het leven is waarachtig, ook al hebt ge ’n zwaar verlies geleden. God roept u tot het leven, ook als ge er eigenlijk niet goed meer tegen op kunt. Christus riep, die vermoeid en belast zijn. En wie behoort daar niet toe? Èn de rust, die Hij belooft, is niet de gezapige rust vaneen mens, die maar bij de pakken is gaan neerzitten, omdat hij niets beters meer weet, maar het is de rust der zelfinkeer. Wat zijt ge, o mens, waartoe zijt ge in staat? Ineen episode uit het leven van de profeet Elia wordt verteld, dat de profeet geestelijk en lichamelijk in elkaar zinkt. Hij is tegen de ontzaglijke profetische taak niet meer opgewassen. Maar God zendt zijn engel. Dat is: God roept hem: houdt moed, ik heb nog ’n andere taak voor u. We zijn allemaal wel eens Elia’s in ’t klein. We hebben er allemaal wel eens genoeg van. Ook in deze tijd. Hoe ziet het er in ons land na 10 jaar bevrijding uit! Er heerst een geest van lamlendigheid, van onverschilligheid voor godsdienstige, maatschappelijke, huiselijke noden en problemen. God roept ons tot onszelf. „Gij zijt verantwoordelijk, persoonlijk verantwoordelijk voor uw leven, uw naaste, uw volk”, schreef eens Dr. Brugmans. Gods roep kan ons wakker schrikken uit onze dommel. We komen tot onszelf, en dan is er misschien niet zo veel fraais te zien. Maar die zelfde veelszins tekortschietende mens is een geroepene. „Laat Uw licht schijnen voor de mensen, opdat zij Uw hemelse vader verheerlijken”. En nu zijn wij ineens gekwalificeerd tot profeten, herauten, gezondenen. De wereld in! Hoe zullen wij gaan, terwijl de wereld niet eens meer luisteren wil! Zou dat alleen aan die wereld liggen? Inde VCJB zongen we vroeger: „Wij bezitten een woord voor de wereld, dat kan redden van zonden en wee: En dat „woord” heet: Gods Liefde, dat woord heet Boodschap van Christus. Deze boodschap moet door de daad van ons leven gebracht. „Hij, die u roept, is getrouw”, zegt Paulus en Hij vraagt van ons, dat wij trouw zullen zijn in ónze zending, dat wijde opdracht van ons leven willig zullen aanvaarden. Dienen moeten we, doen zonder vragen. Dat vraagt zelfverloochening, zelf-inkeer. Hij, die ons roept, vraagt, dat wij strijdbare mensen zullen zijn, ook bij de schijnbaar onmogelijke taak, in het meest onbegrijpelijke levenslot. En nu is dit het wonderlijke, waarvan kleingelovige zwakke mensen, van alle tijden, hebben getuigd: Gods licht straalt dwars door alle dingen heen. Het licht is er en schijnt, ook al zien wij het misschien niet. Zó schreef eens een vroom denker: „Hij staat op het dek van ons schip. Hij zit aan de tafel in onze woning. Hij gaat naast ons op de eenzame weg. Hij roept ons als een kind. Wij zijn God vaak kwijt, maar Hij treedt ons altijd weer, elke avond, elke morgen tegemoet”. Grolloo, E. van Ruytenberg

 

Bron: PDAC 29 september 1956 De laatste bijdrage van Ds. Ruytenberg. Hij woont dan in Groningen.

 

VOOR DE ZONDAG GODS WOORDEN BLIJVEN VREEMD
Dit opschrift is ontleend aan het gedicht ~De kinderkruistocht” van Martinus Nijhoff. De dichter geeft in dit vers een beschrijving van het verhaal uit de middeleeuwen, waarin wordt verteld, dat de oproep tot de christenen om het Heilige Land aan de macht der mohammedanen te ontrukken ook eenmaal door kinderen was vernomen, die dan die dwaze tocht beginnen, die tot een jammerlijk einde moet voeren. „De mensen beklagen hen en kussen hen wenend, om het woord, dat de kinderen lachend hadden gehoord” „want”, zo gaat dit gedicht dan verder, „want iedereen blijven Gods woorden vreemd, behalve hem, die ze van God zelf verneemt”. En in deze diep-religieuze zin ligt een waarheid van ontzaglijke betekenis. Want dat komt hierop neer, dat dan eerst een woord, een opdracht goddelijke waarde heeft gekregen, als het door de mens zelf als „uit Gods mond” wordt ontvangen, ©at heeft dus niets te maken met enige uiterlij'ke autoriteit, met een dogma, dat op voorschrift vaneen onfeilbare kerk of vaneen onfeilbare schriftuur moet worden geaccepteerd. Hier speelt de mode of het fatsoen, of het oude gebruik absoluut geen rol. „Een woord van God” bestaat alleen daar, waar het zo’n dwingende macht over de mens heeft gekregen, en met zo’n met te weerleggen autoriteit tot ons komt en ons aanspreekt dat wij er ons eenvoudig niet aan kunnen . onttrekken al zouden wij het willen. Op grond van zo’n „woord” hebben de grote geestelijke voorgangers en leidslieden: der mensheid altijd weer hun onmogelijk lijkende taak kunnen verrichten; denk aan Abraham en Mozes, aan de profeten, aan Jezus en Paulus, aan Franciscus en Luther, aan zovelen. Telkens is dit „woord” terug te vinden als de enige bron, waaruit zij hebben geput.
Het „woord” kwam tot hen. God sprak. En zo kunnen deze woorden Gods nog altijd komen. Maar wij zijn er totaal van vervreemd. Het woord „God” zelf is al een vreemde klank. Wie rekent er in deze vermaterialiseerde, vertechniseerde wereld nog met God? Wij leven ineen genot en winstzoekende wereld en we hebben allerlei dingen nodig en wij stellen hoge eisen aan het leven en de diepste geestelijke waarden komen niet meer aan bod. We z(jn rijk aan allerlei dingen en het voornaamste missen we.
Er is weinig vrede, en weinig vreugde onder de mensen, want we beleven een tijd vol spanningen en menigeen is vol vrees voor de toekomst. Wat zal de Suezkwestie brengen en als die dan zogenaamd is „opgelost”, wat dan weer? En zo in deze bar-onrustige, beangste, voortjagende wereld, gaan wij ten onder inde vele vragen en noden die werkelijk niet alleen van materiële aard zijn. We kunnen onszelf niet meer zijn, we hebben en dat is het stopwoord van deze dagen „we hebben geen tijd meer”, geen tijd meer om ons in iets te verdiepen. Het lawaai van de wereld overstemt alles. En zo moeten Gods woorden ons wel vreemd blijven totdat,, ja, totdat we weer het kind in onszelf durven terugvinden, in eenvoud, in vertrouwen, in eerbied, zoals de kinderen uit het vers van Nijhoff dit eeuwige woord hadden gehoord, lachende, en dit horen werd tot een nieuwe daad, dat was voor hen de tocht naar het Heilige Land. En dat woord en die daad blijven er steeds weer. Voor ieder mens is er een gaan naar het Heilige Land, naar de stilte en de rust, waar God is. „God roept ons” naar de bekende woorden van Thomson. En als wij ons daarvan maar meer bewust waren, dan ja dan konden wij inderdaad rustig de weg gaan, elke weg, die Hij ons wijst, hoe vreemd die ook lijkt. Maar dan is er geen vervreemding meer, maar innig vertrouwen, geen spanning vol angst, maar een stille vrede en stille vreugde. Helpman (Gron.). E. VAN RUYTENBERG